WET PERSOONSREGISTRATIES
par 1. Inleidende bepalingen
par 2. Algemene bepalingen
par 3. Verstrekken van gegevens aan een derde
par 4. Gedragscodes en bijzondere voorschriften
par 5. Persoonsregistraties op het gebied van de overheid en het onderwijs, de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening
par 6. Persoonsregistraties op het gebied van bedrijf en beroep en op overige gebieden
par 7. Rechten van de belanghebbende op kennisneming en verbetering
par 8. De Registratiekamer
par 9. Internationale aspecten
par 10. Strafbepalingen
par 11. Overgangs- en slotbepalingen

WET POLITIEREGISTERS
par 1. Inleidende bepalingen
par 2. Algemene bepalingen
par 3. Het reglement
par 4. Het verstrekken van gegevens uit een politieregister
par 5. Rechten van de belanghebbende op kennisneming en verbetering
par 6. Bepalingen betreffende het toezicht
par 7. Overgangs- en slotbepalingen

BESLUIT POLITIEREGISTERS
par 1. Inleidende bepalingen
par 2. Algemene bepalingen
par 3. Het reglement
par 4. De tijdelijke registers
par 5. Het verstrekken van gegevens uit een politieregister
par 6. Het vastleggen van verstrekkingen
par 7. Kostenvergoeding bij verzoeken tot kennisneming
par 8. Slotbepalingen

CRIMINELE INLICHTINGENDIENSTEN (CID) REGELING

Return to Home


WET PERSOONSREGISTRATIES (tekst per 1 januari 1997)

     Wet van 28 december 1988, houdende regels ter bescherming van de
     persoonlijke levenssfeer in verband met persoonsregistraties, Staatsblad
    1988, nr. 665

     Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
     Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter bescherming van de
     persoonlijke levenssfeer met betrekking tot persoonsregistraties
     uitvoering dient te worden gegeven aan artikel 10, tweede en derde lid,
     van de Grondwet;

     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
     Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
     en verstaan bij deze:

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen

     Artikel 1.
     In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
     persoonsgegeven: een gegeven dat herleidbaar is tot een individuele
     natuurlijke persoon;
     persoonsregistratie: een samenhangende verzameling van op verschilde
     personen betrekking hebbende persoonsgegevens, die langs geautotiseerde
     weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die
     gegevens systematisch is aangelegd;
     houder: degene die de zeggenschap heeft over een persoonsregistratie;
     bewerker: degene die het geheel of een gedeelte van de apparatuur onder
     zich heeft, waarmee een persoonsregistratie waarvan hij niet de houder
     is, wordt gevoerd;
     verstrekken van gegevens uit een persoonsregistratie: het bekend maken of
     ter beschikking stellen van persoonsgegevens, voor zover zulks geheel of
     grotendeels steunt op gegevens die in die persoonsregistratie zijn
     opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan niet in verband met
     andere gegevens, zijn verkregen;
     verstrekken van gegevens aan een derde: verstrekken van gegevens uit een
     persoonsregistratie aan een persoon of instantie buiten de organisatie
     van de houder, met uitzondering van het verstrekken aan de bewerker of de
     geregistreerde;
     gedragscode: een besluit van een of meer organisaties, representatief
     voor de sector waarop het besluit betrekking heeft, houdende in het
     belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gestelde regels
     of gedane aanbevelingen ten aanzien van persoonsregistraties;
     Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
     Registratiekamer: de Registratiekamer, ingesteld bij artikel 37.

     Artikel 2.
     1. Deze wet is niet van toepassing op:
     a. persoonsregistraties die naar hun aard voor persoonlijk of huiselijk
     gebruik bestemd zijn;
     b. persoonsregistraties die uitsluitend ten dienste staan van de openbare
     informatievoorziening door pers, radio of televisie;
     c. boeken en andere schriftelijke publikaties, alsmede catalogisegen
     daarvan;
     d. persoonsregistraties die berusten in een archiefbewaarplaats als
     bedoeld in de Archiefwet 1995 (Stb. 276).
     2. Deze wet is niet van toepassing op openbare registers die bij de wet
     zijn ingesteld.
     3. Deze wet is niet van toepassing op:
     a. persoonsregistraties, gehouden bij of ten behoeve van de inlichgen- en
     veiligheidsdiensten, bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en
     veiligheidsdiensten;
     b. persoonsregistraties, aangelegd ten dienste van de uitvoering van de
     politietaak, omschreven in artikel 2 van de Politiewet 1993;
     c. persoonsregistraties, gehouden ter uitvoering van de Kieswet.
     c. [d.] persoonsregistraties, gehouden ingevolge de Wet gemeentelijke
     basisadministratie persoonsgegevens (Stb. 1994, 494).

     Artikel 3.
     Voordrachten tot een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet
     worden gedaan door Onze Minister. Indien de maatregel mede een van Onze
     andere ministers aangaat, wordt de voordracht gedaan door Onze Minister
     en deze andere minister gezamenlijk.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

     Artikel 4.
     1. Een persoonsregistratie wordt slechts aangelegd voor een bepaald doel
     waartoe het belang van de houder redelijkerwijs aanleiding geeft.
     2. Het doel van een persoonsregistratie mag niet in strijd zijn met de
     wet, de openbare orde of de goede zeden.

     Artikel 5.
     1. Een persoonsregistratie bevat slechts persoonsgegevens die rechtmatig
     zijn verkregen en in overeenstemming zijn met het doel waarvoor de
     registratie is aangelegd.
     2. De houder treft de nodige voorzieningen ter bevordering van de
     juistheid en de volledigheid van de opgenomen persoonsgegevens.

     Artikel 6.
     1. De opgenomen persoonsgegevens worden slechts gebruikt voor doeleinden
     die met het doel van de persoonsregistratie verenigbaar zijn.
     2. Binnen de organisatie van de houder worden uit een persoonsregistratie
     slechts gegevens verstrekt aan personen die ingevolge hun taak die
     gegevens mogen ontvangen.

     Artikel 6a.
     1. Een nummer dat ter identificatie van een persoon wettelijk is
     voorgeschreven, wordt in een persoonsregistratie of bij het verstrekken
     ven gegevens daaruit, slechts gebruikt ter uitvoering van de betrokken
     wettelijke regeling dan wel ten behoeve van de richtige uitvoering van
     wettelijke voorschriften waarbij eveneens van dat nummer gebruik kan
     worden gemaakt. Het nummer kan tevens worden gebruikt in andere gevallen
     bij of krachtens de wet bepaald.
     2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen
     waarin een daarbij aan te wijzen nummer als bedoeld in het eerste lid,
     kan worden gebruikt. Daarbij kunnen nadere voorschriften worden gegeven
     over het gebruik van een zodanig nummer.

     Artikel 7.
     1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake het
     opnemen in een persoonsregistratie van persoonsgegevens betreffende
     iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid,
     seksualiteit of intiem levensgedrag, alsmede persoonsgegevens van
     medische, psychologische, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aard.
     2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen verschillen naar de
     soorten van registraties.
     3. Uiterlijk op 1 juni 1997 wordt een voorstel van wet tot regeling van
     het in het eerste lid omschreven onderwerp aan de Staten-Generaal
     gedaan.
     4. Indien de Registratiekamer om advies wordt gevraagd over het ontwerp
     van een algemene maatregel van bestuur of van een voorstel van wet als
     bedoeld in dit artikel, geeft de Registratiekamer bij de voorbereiding
     van dit advies toepassing aan de in de afdeling 3.4 van Algemene wet
     bestuursrecht geregelde procedure.

     Artikel 8.
     De houder draagt zorg voor de nodige voorzieningen van technische en
     organisatorische aard ter beveiliging van een persoonsregistratie tegen
     verlies of aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming,
     wijziging of verstrekking daarvan. Gelijke plicht rust op de bewerker
     voor het geheel of het gedeelte van de apparatuur die hij onder zich
     heeft.

     Artikel 9.
     1. Indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd
     wordt gehandeld met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften
     ter bescherming van de belangen van geregistreerde of te registreren
     personen, zijn de volgende leden van toepassing, onverminderd de
     aanspraken op grond van andere wettelijke regels.
     2. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde
     recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
     3. De houder van een persoonsregistratie is aansprakelijk voor de schade
     of het nadeel, voortvloeiende uit het niet-nakomen van de in het eerste
     lid bedoelde voorschriften in verband met die persoonsregistratie. De
     bewerker is aansprakelijk voor die schade of dat nadeel, voor zover
     ontstaan door zijn werkzaamheid.

     Artikel 10.
     1. Indien de houder of de bewerker van een persoonsretratie handelt in
     strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde en een ander daardoor
     schade lijdt of dreigt te lijden, kan de rechter hem op vordering van die
     ander zodanig gedrag verbieden en hem bevelen maatregelen te treffen tot
     herstel van de gevolgen van dat gedrag.
     2. Vervallen

Paragraaf 3. Verstrekken van gegevens aan een derde

     Artikel 11.
     1. Uit een persoonsregistratie worden slechts gegevens aan een derde
     verstrekt voor zover zulks voortvloeit uit het doel van de registratie,
     wordt vereist ingevolge een wettelijk voorschrift of geschiedt met
     toestemming van de geregistreerde.
     2. Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek dan wel op
     grond van een dringende en gewichtige reden, kunnen desgevraagd gegevens
     aan een derde worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van
     de geregistreerden daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
     3. De verstrekking van gegevens blijft achterwege voor zover uit hoofde
     van ambt, beroep of wettelijk voorschrift geheimhouding geboden is.
     4. Indien de geregistreerde minderjarig is en de leeftijd van zestien
     jaren nog niet heeft bereikt, of onder curatele is gesteld, is in plaats
     van de toestemming van de geregistreerde die van zijn wettelijke
     vertegenwoordiger vereist.

     Artikel 12.
     1. Indien voor de verstrekking van gegevens uit een persoonsregistratie
     toestemming van de geregistreerde of van zijn wettelijke
     vertegenwoordiger is vereist, kan deze slechts schriftelijk worden
     gegeven.
     2. De toestemming kan betrekking hebben op één geval of op een beperkte
     categorie van gevallen en moet in het geschrift nauwkeurig zijn
     omschreven.
     3. De toestemming kan steeds schriftelijk worden ingetrokken.

     Artikel 13.
     1. Dit artikel is van toepassing op persoonsregistraties, gehouden of
     mede gehouden met het oog op deze werkzaamheid door een natuurlijke of
     rechtspersoon, die bedrijfsmatig persoonsgegevens, anders dan met
     toestemming van degenen op wie die gegevens betrekking hebben of, in de
     gevallen bedoeld in artikel 11, vierde lid, van hun wettelijke
     vertegenwoordigers, verzamelt en aan derden verstrekt.
     2. In een persoonsregistratie als bedoeld in het eerste lid, worden
     slechts persoonsgegevens opgenomen, die op hun juistheid zijn
     onderzocht.
     3. Uit een persoonsregistratie als bedoeld in het eerste lid, worden aan
     een derde slechts op diens verzoek gegevens verstrekt. Het verzoek
     vermeldt het doel waarvoor de gevraagde gegevens zullen worden gebruikt.
     4. De verstrekking vindt niet plaats, indien:
     a. het doel waarvoor de verstrekking is verzocht, in strijd is met de
     wet, de openbare orde of de goede zeden;
     b. de verstrekking redelijkerwijs niet in overeenstemming is met dat
     doel;
     c. door de verstrekking de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde
     onevenredig zou worden geschaad.
     5. De houder van een persoonsregistratie als bedoeld in het eerste lid,
     is verplicht elke verstrekking van gegevens aan een derde ten minste een
     jaar nadat de verstrekking geschiedde, vastgelegd te houden, tenzij hij
     redelijkerwijs kan aannemen dat de geregistreerde daarbij geen belang
     heeft.

     Artikel 14.
     1. Uit een persoonsregistratie, niet begrepen onder artikel 13, eerste
     lid, kunnen ook in andere gevallen dan omschreven in artikel 11, eerste
     en tweede lid, bestanden persoonsgegevens, alleen bestaande uit naam,
     adres, woonplaats, postcode en soortgelijke voor communicatie benodigde
     gegevens, aan een derde worden verstrekt. De artikelen 11, derde lid, en
     13, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
     2. De houder laat op verzoek van de geregistreerde of, in de gevallen
     bedoeld in artikel 11, vierde lid, van zijn wettelijke vertegenwoordiger
     zodanige verstrekking ten aanzien van diens gegevens achterwege.

Paragraaf 4. Gedragscodes en bijzondere voorschriften

     Artikel 15.
     1. De organisatie of organisaties, die een gedragscode vaststelden,
     kunnen de Registratiekamer verzoeken te verklaren dat deze code naar haar
     oordeel in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens deze wet
     en voldoet aan redelijkerwijs ter bescherming van de persoonlijke
     levenssfeer van geregistreerden te stellen eisen.
     2. De Kamer neemt het verzoek slechts in behandeling, indien naar haar
     oordeel de verzoeker of verzoekers representatief zijn voor de betrokken
     sector, deze sector in de code nauwkeurig is omschreven en de code
     zorgvuldig, in het bijzonder in genoegzaam overleg met organisaties van
     belanghebbenden, is voorbereid.
     3. Alvorens te beslissen op een verzoek dat zij in behandeling heeft
     genomen, stelt de Kamer een ieder in de gelegenheid schriftelijk
     bedenkingen of opmerkingen in te brengen.
     4. De verklaring wordt, tezamen met de gedragscode waarop zij betrekking
     heeft, door de zorg van de Kamer in de Staatscourant geplaatst.
     5. De verklaring geldt voor de termijn waarvoor de gedragscode is
     vastgesteld, doch ten hoogste voor vijf jaar na het tijdstip van de
     verklaring.
     6. De verklaring bindt de rechter niet.
     7. Een beslissing op het verzoek is met redenen omkleed. Tegen de
     beslissing staat geen voorziening van administratieve rechtspraak open.

     Artikel 16.
     1. Na verloop van drie jaren na de inwerkingtreding van artikel 15 kunnen
     bij algemene maatregel van bestuur voor een bepaalde sector nadere regels
     worden gesteld inzake de in de artikelen 4 tot en met 6, 8 en 11 tot en
     met 14 geregelde onderwerpen.
     2. De Registratiekamer geeft in haar jaarverslag aan in hoeverre naar
     haar oordeel toepassing van het eerste lid wenselijk is.
     3. Indien de Registratiekamer om advies wordt gevraagd over het ontwerp
     van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid,
     geeft de Registratiekamer bij de voorbereiding van dit advies toepassing
     aan de in de afdeling 3.4 van Algemene wet bestuursrecht geregelde
     procedure.

Paragraaf 5. Persoonsregistraties op het gebied van de overheid en het
     onderwijs, de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening

     Artikel 17.
     Deze paragraaf is van toepassing op persoonsregistraties van:
     a. het Rijk, provincies, gemeenten en andere openbare lichamen met
     inbegrip van de daaronder ressorterende diensten, instellingen en
     bedrijven;
     b. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instellingen die met de
     uitvoering van publiekrechtelijke taken zijn belast;
     c. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instellingen en
     voorzieningen voor onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke
     dienstverlening.

     Artikel 18.
     1. Een persoonsregistratie als bedoeld in artikel 17, wordt slechts
     aangelegd indien dit noodzakelijk is voor een goede vervulling van de
     taak van de houder.
     2. Zodanige persoonsregistraties bevatten slechts persoonsgegevens die
     voor het doel van de registratie noodzakelijk zijn.
     3. Uit deze persoonsregistraties kunnen desgevraagd gegevens worden
     verstrekt aan personen of instanties met een publiekrechtelijke taak,
     voor zover zij die gegevens behoeven voor de uitvoering van hun taak en
     de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden daardoor niet
     onevenredig wordt geschaad. Artikel 11, derde lid, is van overeenkomstige
     toepassing.

     Artikel 19.
     1. Voor een persoonsregistratie als bedoeld in artikel 17, wordt een
     reglement vastgesteld.
     2. Het reglement alsmede de wijziging en intrekking daarvan, wordt
     openbaar gemaakt en voor een ieder ter inzage gelegd overeenkomstig
     regels bij algemene maatregel van bestuur te stellen.
     3. De houder doet van het feit van de terinzagelegging en de aard van de
     persoonsregistratie schriftelijk mededeling aan de Registratiekamer onder
     opgave van zijn naam, adres en woonplaats.
     4. De houder geeft binnen vier weken schriftelijk kennis aan de
     Registratiekamer van iedere wijziging in zijn naam, adres of woonplaats.

     Artikel 20.
     1. In het reglement moet de werking van de persoonsregistratie zijn
     beschreven.
     2. Het reglement bevat in elk geval een duidelijke regeling van de
     volgende onderwerpen:
     a. het doel van de registratie;
     b. de categorieën van personen over wie gegevens in de registratie worden
     opgenomen;
     c. de soorten van gegevens die in de registratie worden opgenomen, en de
     wijze waarop deze worden verkregen;
     d. de gevallen waarin opgenomen gegevens worden verwijderd;
     e. de categorieën van personen of instanties, waaraan gegevens uit de
     registratie worden verstrekt;
     f. de soorten van gegevens die aan de onder e bedoelde personen of
     instanties worden verstrekt;
     g. de rechtstreekse toegang tot de registratie;
     h. eventuele verbanden tussen de registratie en enige andere
     gegevensverzameling;
     i. de wijze waarop geregistreerde personen of hun wettelijke
     vertegenwoordigers kennisneming en verbetering van de over hen opgenomen
     gegevens kunnen verkrijgen;
     j. de wijze waarop geregistreerde personen of hun wettelijke
     vertegenwoordigers mededeling van verstrekking van hen betreffende
     gegevens kunnen verkrijgen;
     k. de hoofdlijnen van het beheer van de registratie.

     Artikel 21.
     De houder, de bewerker en al degenen die verder bij de werking van de
     persoonsregistratie zijn betrokken, zijn verplicht het overeenkomstig
     artikel 19, tweede lid, bekendgemaakte reglement na te leven.

     Artikel 22.
     1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat artikel 19
     niet van toepassing is op daarbij aan te geven persoonsregistraties die
     aan daarbij aan te geven eisen voldoen.
     2. Bepalingen als bedoeld in het eerste lid, worden in elk geval gesteld
     met betrekking tot:
     a. boekhoudingen en financiële administraties;
     b. personeels- en salarisadministraties;
     c. andere administraties dan bedoeld onder a en b, ten dienste van het
     intern beheer van de betrokken organisatie;
     d. administraties van abonnementen;
     e. administraties van leden en begunstigers;
     f. andere persoonsregistraties, voor zover daarin geen andere gegevens
     zijn opgenomen dan naam, adres, woonplaats, postcode en soortgelijke voor
     communicatie benodigde gegevens.

  Paragraaf 6. Persoonsregistraties op het gebied van bedrijf en beroep en
     op overige gebieden

     Artikel 23.
     Deze paragraaf is van toepassing op persoonsregistraties niet begrepen
     onder artikel 17.

     Artikel 24.
     1. Een persoonsregistratie waarop deze paragraaf van toepassing is, moet
     worden aangemeld bij de Registratiekamer.
     2. De aanmelding geschiedt door inzending van het formulier dat voor het
     verrichten van de aanmelding is bestemd. Onze Minister stelt het model
     van het formulier vast.
     3. Bij het formulier worden de bij algemene maatregel van bestuur te
     bepalen gegevens verstrekt. Deze kunnen slechts betrekking hebben op de
     onderwerpen als bedoeld in artikel 20, tweede lid. Tevens wordt opgave
     gedaan van de naam, het adres en de woonplaats van de houder.
     4. De aanmelding wordt bekendgemaakt en een afschrift van het formulier
     wordt voor een ieder ter inzage gelegd overeenkomstig regels bij algemene
     maatregel van bestuur te stellen.

     Artikel 25.
     1. De houder van een aangemelde persoonsregistratie geeft binnen vier
     weken schriftelijk kennis aan de Registratiekamer van iedere wijziging in
     zijn naam, adres of woonplaats.
     2. Bij wijziging of aanvulling van de overige verstrekte gegevens en bij
     opheffing van de registratie is artikel 24 van overeenkomstige
     toepassing, met dien verstande dat alleen de wijziging of aanvulling
     onderscheidenlijk de opheffing behoeft te worden aangemeld.

     Artikel 26.
     De houder, de bewerker en al degenen die verder bij de werking van de
     persoonsregistratie zijn betrokken, zijn verplicht ten aanzien daarvan te
     handelen overeenkomstig de bij de aanmelding verstrekte gegevens.

     Artikel 27.
     Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de artikelen 24
     en 25 niet van toepassing zijn op daarbij aan te geven
     persoonsregistraties die aan daarbij aan te geven eisen voldoen. Artikel
     22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7. Rechten van de belanghebbende op kennisneming en
     verbetering

     Artikel 28.
     1. De houder van een persoonsregistratie deelt een ieder over wie voor de
     eerste keer persoonsgegevens in de registratie worden opgenomen binnen
     vier weken schriftelijk mede dat dit het geval is. De mededeling bevat
     een aanduiding van het doel van de registratie, alsmede de naam, het
     adres en de woonplaats van de houder.
     2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet:
     a. indien de betrokkene weet of redelijkerwijs kan weten dat een
     dergelijke opname heeft plaatsgevonden;
     b. indien een gewichtig belang van de betrokkene zich tegen het doen van
     een schriftelijke mededeling verzet;
     c. voor zover het achterwege laten van de mededeling noodzakelijk is met
     het oog op de belangen, genoemd in artikel 30.

     Artikel 29.
     1. De houder deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier
     weken mede of hem betreffende persoonsgegevens in de registratie zijn
     opgenomen.
     2. Indien zodanige gegevens in de registratie zijn opgenomen, stelt de
     houder de verzoeker desverlangd binnen vier weken na ontvangst van het
     verzoek schriftelijk een volledig overzicht daarvan met inlichtingen over
     de herkomst ter beschikking.
     3. Indien een gewichtig belang van de verzoeker dit eist, voldoet de
     houder aan een verzoek als bedoeld in dit artikel, in een andere dan
     schriftelijke vorm, die aan dat belang is aangepast.
     4. De houder draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de
     identiteit van de verzoeker.
     5. De verzoeken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden ten aanzien
     van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben
     bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun
     wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens
     aan de wettelijke vertegenwoordigers.

     Artikel 30.
     De houder kan weigeren aan een in artikel 29 bedoeld verzoek te voldoen,
     voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:
     a. de veiligheid van de staat;
     b. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
     c. economische en financiële belangen van de staat en andere openbare
     lichamen;
     d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege overheidsorganen of
     andere organen met een publiekrechtelijke taak;
     e. gewichtige belangen van anderen dan de verzoeker, de houder daaronder
     begrepen.

     Artikel 31.
     1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 29 kennis is gegeven van hem
     betreffende persoonsgegevens, kan de houder schriftetelijk verzoeken deze
     te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk
     onjuist, voor het doel van de registratie onvolledig of niet ter zake
     dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift in de
     registratie voorkomen. Het verzoek behelst de aan te brengen
     wijzigingen.
     2. De houder bericht de verzoeker binnen acht weken na ontvangst van het
     verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Artikel
     29, derde, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Een
     weigering is met redenen omkleed.
     3. De houder draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling
     of verwijdering zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

     Artikel 32.
     1. De houder deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier
     weken mede of hem betreffende gegevens in het jaar voorafgaande aan het
     verzoek uit de persoonsregistratie aan derden zijn verstrekt.
     2. Indien zodanige verstrekking is geschied, doet de houder daarvan
     desverlangd binnen vier weken na ontvangst van het verzoek in
     schriftelijke vorm mededeling aan de verzoeker. De houder kan volstaan
     met een in algemene termen vervatte mededeling betreffende de aard van de
     verstrekte gegevens en degenen aan wie deze zijn verstrekt, indien de
     vastlegging daarvan achterwege is gebleven en hij redelijkerwijs mocht
     aannemen dat het belang van de geregistreerde daardoor niet onevenredig
     zou worden geschaad.
     3. De artikelen 29, derde, vierde en vijfde lid, en 30 zijn van
     overeenkomstige toepassing.

     Artikel 33.
     Met betrekking tot persoonsregistraties, uitsluitend voor
     wetenschappelijk onderzoek of statistiek aangelegd:
     a. zijn de artikelen 28 tot en met 31 niet van toepassing, indien de
     uitkomsten waarvoor de persoonsgegevens worden gebruikt, niet meer
     herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen;
     b. is artikel 32 niet van toepassing met betrekking tot verstrekking van
     gegevens aan een derde die deze uitsluitend voor wetenschappelijk
     onderzoek of statistiek verzamelt, mits de uitkomsten waarvoor deze
     gegevens worden gebruikt, niet meer herleidbaar zijn tot individuele
     natuurlijke personen.

     Artikel 34.
     1. Indien de houder niet aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 29,
     31 of 32, voldoet dan wel niet in schriftelijke vorm daaraan voldoet, kan
     de betrokkene zich tot de arrondissementsbank wenden met het schriftelijk
     verzoek, de houder te bevelen alsnog aan dat verzoek te voldoen dan wel
     in schriftelijke vorm daaraan te voldoen. Gelijke bevoegdheid heeft de
     betrokkene, indien hij zich door een mededeling als bedoeld in artikel
     32, tweede lid, tweede volzin, in zijn belangen geschaad acht.
     2. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen acht weken na
     ontvangst van het antwoord van de houder. Indien de houder niet binnen de
     gestelde termijn heeft geantwoord, moet het verzoekschrift worden
     ingediend binnen acht weken na afloop van die termijn.
     3. De betrokkene kan zich ook binnen de in het tweede lid gestelde
     termijn tot de Registratiekamer wenden met het verzoek te bemiddelen of
     te adviseren in zijn geschil met de houder. In dat geval kan het
     verzoekschrift als bedoeld in het eerste lid, nog worden ingediend nadat
     de betrokkene van de Registratiekamer bericht heeft ontvangen dat zij de
     behandeling van de zaak heeft gestaakt, doch uiterlijk tot acht weken na
     dat tijdstip.
     4. Over een verzoekschrift kan de rechtbank het advies van de
     Registratiekamer inwinnen.
     5. De rechtbank wijst het verzoek toe, voor zover zij dit gegrond
     oordeelt.
     6. De twaalfde titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke
     Rechtsvordering met uitzondering van artikel 429d, derde lid, treedt voor
     procedures als bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, in
     werking op hetzelfde tijdstip als dit artikel. Artikel 345 van dat
     wetboek is niet van toepassing.
     7. De derde afdeling van de vijfde titel van het Tweede Boek van het
     Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige
     toepassing.
     8. De griffier zendt afschrift van de uitspraak aan de Registratiekamer.

     Artikel 35.
     1. De houder, die aan een overeenkomstig artikel 31 gedaan verzoek
     voldoet of wie dit door de rechter ingevolge artikel 34, vijfde lid, is
     bevolen, is verplicht om aan degenen aan wie hij naar zijn weten in het
     jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek verstreken
     periode de betrokken gegevens heeft verstrekt, mededeling te doen van de
     verbetering, aanvulling of verwijdering.
     2. De houder doet aan de verzoeker opgave van degenen aan wie hij de
     mededeling heeft gedaan.
     3. Dit artikel geldt niet, indien de verzoeker te kennen heeft gegeven op
     de mededeling als bedoeld in het eerste lid, geen prijs te stellen.

     Artikel 36.
     De houder kan voor een bericht als bedoeld in de artikelen 29 en 32, een
     vergoeding van kosten verlangen, die niet hoger mag zijn dan een bij of
     krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. De
     vergoeding wordt teruggegeven in geval van een weigering van een verzoek
     als bedoeld in die artikelen, dan wel nadat de houder op verlangen van de
     verzoeker of op bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling of
     verwijdering is overgegaan.

Paragraaf 8. De Registratiekamer

     Artikel 37.
     1. Er is een Registratiekamer.
     2. De Kamer ziet toe op de werking van persoonsregistraties overkomstig
     het bij en krachtens deze wet bepaalde en in het belang van de
     bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het algemeen.
     3. De Kamer dient Onze Minister, dan wel in daarvoor in aanmerking
     komende gevallen Onze Minister en Onze andere ministers die het mede
     aangaat, gezamenlijk, desgevraagd of uit eigen beweging van advies over
     de uitvoering van deze wet en andere onderwerpen die daarmede samen
     hangen.
     4. De Kamer vervult overigens de taken, haar bij de wet opgedragen.
     5. De Kamer brengt jaarlijks aan Onze Minister een openbaar verslag uit
     van haar werkzaamheden en bevindingen.

     Artikel 38.
     1. De Kamer heeft een voorzitter, twee andere leden en een bij koninklijk
     besluit, op voordracht van Onze Minister, te bepalen aantal
     plaatsvervangende leden en buitengewone leden.
     2. De voorzitter wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
     Minister, benoemd voor een tijdvak van zes jaar en kan steeds worden
     herbenoemd. De andere leden en de plaatsvervangende en buitengewone leden
     worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, benoemd
     voor een tijdvak van vier jaar. Zij kunnen worden herbenoemd
     3. Bij de benoeming van de buitengewone leden wordt spreiding over de
     onderscheidene sectoren van de maatschappij nagestreefd.

     Artikel 39.
     1. Aan een lid, plaatsvervangend lid en buitengewoon lid wordt bij
     koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, ontslag verleend met
     ingang van de eerste maand volgend op die waarin hij de leeftijd van
     vijfenzestig jaar bereikt.
     2. Artikel 11 met uitzondering van het bepaalde onder d, 3o, en de
     artikelen 12 tot en met 13, 13a met uitzondering van het vijfde lid, 13b
     en 14a tot en met 14c, 14d, eerste en tweede lid, en 14e van de Wet op de
     rechterlijke organisatie (Stb. 1972, 463) zijn van overeenkomstige
     toepassing.
     3. Bij toepassing van artikel 14d, tweede lid, van de Wet op de
     rechterlijke organisatie stelt de Hoge Raad de voorzitter van de Kamer in
     de gelegenheid omtrent een aanhangige klacht schriftelijk of mondeling
     inlichtingen te verstrekken en van zijn gevoelen daaromtrent blijk te
     geven.

     Artikel 40.
     1. De voorzitter en de andere leden genieten een bezolging voor hun
     werkzaamheden. De plaatsvervangende en buitengewone leden genieten een
     zittingsgeld. Hun rechtspositie wordt nader geregeld bij algemene
     maatregel van bestuur. Artikel 3, tweede lid, is niet van toepassing.
     2. Tevens genieten zij vergoeding van reis- en verblijfkosten
     overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke
     rijksambtenaren gelden.
     3. De voorzitter mag zonder toestemming van Onze Minister geen andere
     werkzaamheden verrichten waarvoor een beloning wordt genoten.

     Artikel 41.
     De Kamer heeft een secretariaat, waarvan de ambtenaren door Onze
     Minister, op voordracht van de voorzitter, worden benoemd, geschorst en
     ontslagen.

     Artikel 42.
     1. De voorzitter geeft leiding aan de werkzaamheden van de Kamer en van
     het secretariaat.
     2. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, wordt uit de
     leden een eerste en een tweede plaatsvervangend voorzitter aangewezen.

     Artikel 43.
     1. De Kamer heeft een Centrale Afdeling, bestaande uit de voorzitter en
     de twee andere leden. Ieder lid kan worden vervangen door een
     plaatsvervangend lid.
     2. De Centrale Afdeling kan meervoudige en enkelvoudige afdelingen
     instellen voor de behandeling en afdoening van door haar omschreven
     aangelegenheden.
     3. Een meervoudige afdeling bestaat uit een lid of plaatsvervangend lid
     als voorzitter en twee buitengewone leden als leden. Een enkelvoudige
     afdeling bestaat uit een lid of een plaatsvervangend lid.
     4. De Centrale Afdeling wijst de leden van de overige afdelingen aan. Zij
     kan ter vervanging in een afdeling van een lid of plaatsvervangend lid
     van de Kamer een ander lid of plaatsvervangend lid van de Kamer en ter
     vervanging in een afdeling van een buitengewoon lid een ander
     buitengewoon lid aanwijzen.

     Artikel 44.
     De Centrale Afdeling stelt de in artikel 37, derde lid, bedoelde adviezen
     en het jaarverslag vast. Zij behandelt voorts de aangelegenheden die zij
     niet op andere afdelingen heeft ingedeeld.

     Artikel 45.
     1. Aan de Kamer worden op haar verzoek gegevens uit een
     persoonsregistratie verstrekt.
     2. De houder van een persoonsregistratie en de personen die bij de
     werking van een persoonsregistratie zijn betrokken, verstrekken
     desgevorderd de Kamer, de ambtenaren van het secretariaat en andere, door
     de Kamer daartoe aangewezen personen alle inlichtingen en verlenen hun
     alle overige medewerking die deze voor de uitoefening van hun taak
     behoeven.
     3. De leden, plaatsvervangende leden en buitengewone leden van de Kamer,
     de ambtenaren van het secretariaat en andere, door de Kamer daartoe
     aangewezen personen, hebben toegang tot elke plaats waar zich een
     persoonsregistratie of een deel daarvan bevindt of waar de registratie
     toegankelijk is, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun
     taak nodig is. Zij zijn bevoegd apparatuur, programtuur, boeken en
     bescheiden te onderzoeken en zich de werking van apparatuur en
     programmatuur te doen tonen, voor zover dit redelijkerwijs voor de
     uitoefening van hun taak nodig is.
     4. De ambtenaren van het secretariaat en de andere personen, bedoeld in
     het derde lid, behoeven voor de uitoefening van de in dat lid omschreven
     bevoegdheden de uitdrukkelijke en bijzondere volmacht van de Kamer,
     onverminderd het bepaalde in artikel 2 van de Algemene wet op het
     binnentreden (Stb. 1994, 572).
     5. Indien naar het redelijk oordeel van de Kamer de in dit artikel
     bedoelde medewerking in onvoldoende mate wordt verleend, kunnen op kosten
     van de nalatige de nodige maatregelen worden getroffen.
     6. Geen beroep is mogelijk op een geheimhoudingsplicht, voor zover
     inlichtingen of medewerking wordt verlangd in verband met de eigen
     betrokkenheid bij de werking van een persoonsregistratie.

     Artikel 46.
     1. De Kamer kan ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende of van
     een rechtspersoon die ingevolge zijn statuten de belangen behartigt van
     de personen die door het gedrag van de houder of de bewerker schade
     lijden of dreigen te lijden een onderzoek instellen naar de wijze waarop
     ten aanzien van een persoonsregistratie toepassing wordt gegeven aan het
     bij en krachtens deze wet bepaalde.
     2. In geval van een onderzoek, ingesteld op verzoek van een
     belanghebbende, doet de Kamer aan deze mededeling van haar bevindingen,
     tenzij zodanige mededeling onverenigbaar is met het doel van de
     registratie of de aard van de persoonsgegevens, dan wel gewichtige
     belangen van anderen dan de verzoeker, de houder daaronder begrepen,
     daardoor onevenredig zouden worden geschaad. Indien zij mededeling van
     haar bevindingen achterwege laat, zendt zij de belanghebbende zodanig
     bericht als haar geraden voorkomt.
     3. De Kamer kan, indien haar bevindingen daartoe aanleiding geven, aan de
     houder van de persoonsregistratie een aanbeveling doen. Zij gaat daartoe
     niet over dan na de houder in de gelegenheid te hebben gesteld te worden
     gehoord.
     4. Tegen een afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, een
     mededeling of bericht, als bedoeld in het tweede lid, en een aanbeveling
     als bedoeld in het derde lid, staat geen voorziening van administratieve
     rechtspraak open.

Paragraaf 9. Internationale aspecten

     Artikel 47.
     1. Deze wet is mede van toepassing op zich niet in Nederland bevindende
     persoonsregistraties van een in Nederland gevestigde houder, voor zover
     deze persoonsgegevens bevatten van in Nederland gevestigde personen.
     2. Onze Minister kan, de Registratiekamer gehoord, ontheffing verlenen
     van bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen voor een
     persoonsregistratie als bedoeld in het eerste lid, indien de voor die
     registratie geldende wetgeving van het land waar de registratie zich
     bevindt een gelijkwaardige bescherming biedt voor de persoonlijke
     levenssfeer van de geregistreerden.

     Artikel 48.
     Onze Minister kan, de Registratiekamer gehoord, voor persoonsregistraties
     waarvan de houder niet in Nederland is gevestigd, ontheffing verlenen van
     bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen, indien de bescherming van
     de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden met betrekking tot die
     registratie voldoende is gewaarborgd.

     Artikel 49.
     1. Degene die vanuit Nederland toegang heeft tot een zich buiten
     Nederland bevindende persoonsregistratie waarop deze wet niet van
     toepassing is, is verplicht de nodige voorzieningen te treffen voor de
     beveiliging van die toegang en van de daardoor verkregen
     persoonsgegevens.
     2. Het is verboden vanuit Nederland gegevens te verstrekken aan of te
     betrekken van een zich elders bevindende persoonsregistratie waarop deze
     wet niet van toepassing is, voor zover bij algemene maatregel van bestuur
     is verklaard dat door zodanig verstrekken of betrekken de persoonlijke
     levenssfeer van de betrokken personen ernstig kan worden benadeeld.

Paragraaf 10. Strafbepalingen

     Artikel 50.
     1. Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
     a. degene die een persoonsregistratie in werking heeft ten aanzien
     waarvan het bij of krachtens de artikelen 19, 24 of 25 bepaalde niet is
     nageleefd;
     b. degene die als bewerker optreedt van een persoonsregistratie als
     bedoeld onder a;
     c. degene die handelt in strijd met het bij en krachtens artikel 49,
     tweede lid, bepaalde.
     2. Degene die een feit als omschreven in het eerste lid, opzettelijk
     begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
     geldboete van de derde categorie.
     3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. De
     in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
     4. Met de opsporing van de in dit artikel omschreven strafbare feiten
     zijn behalve de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van
     Strafvordering aangewezen ambtenaren belast de door Onze Minister daartoe
     aangewezen ambtenaren van het secretariaat van de Registratiekamer.

Paragraaf 11. Overgangs- en slotbepalingen

     Artikel 51. Vervallen

     Artikel 52. Wijziging andere regelgeving

     Artikel 53. Wijziging andere regelgeving.

     Artikel 54.
     1. Deze wet treedt, met uitzondering van de paragrafen 5, 6 en 10 in
     werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat niet later
     kan worden gesteld dan zes maanden na de afkondiging van deze wet.
     2. De paragrafen 5, 6 en 10 treden in werking op een bij koninklijk
     besluit te bepalen tijdstip, dat niet later kan worden gesteld dan een
     jaar na de afkondiging van deze wet.
     3. Ten aanzien van een persoonsregistratie, bestaande op het in het vorig
     lid omschreven tijdstip, blijven de paragrafen 5, 6 en 10 gedurende zes
     maanden na dat tijdstip buiten toepassing.
     4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze wet
     niet van toepassing is op bij die maatregel aangewezen persoonsretraties
     die bij of krachtens de wet zijn ingesteld en bestaan op het in het
     eerste lid omschreven tijdstip. Zodanige maatregel wordt slechts
     vastgesteld, indien naar Ons oordeel met het oog op de invoering van deze
     wet een nadere voorziening bij de wet ten aanzien van die
     persoonsregistraties is vereist. Behoudens eerdere intrekking vervalt de
     maatregel drie jaren na zijn inwerkingtreding, tenzij voordien een
     voorstel van wet tot een voorziening als in de vorige volzin bedoeld, aan
     de Staten-Generaal is gedaan.
     5. Ten aanzien van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
     vorige lid, en, voor zover deze wordt vastgesteld voor het in het eerste
     lid omschreven tijdstip, de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
     artikel 36, is artikel 3, tweede lid, niet van toepassing.
     6. Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing op persoonsgegevens die
     op het in het eerste lid omschreven tijdstip reeds in een
     persoonsregistratie zijn opgenomen, met dien verstande dat de houder ten
     aanzien van die gegevens de vereiste mededeling doet binnen zes maanden
     na dat tijdstip.

     Artikel 55.
     Deze wet kan worden aangehaald als: Wet persoonsregistraties.

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
     alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
     aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

     Gegeven te 's-Gravenhage, 28 december 1988
     Beatrix

     De Minister van Justitie,
     F. Korthals Altes

     De Minister van Binnenlandse Zaken,
     C.P. van Dijk

     Uitgegeven de vijfde januari 1989
     De Minister van Justitie,
     F. Korthals Altes

Bijzonderheden

Op grond van de Europese richtlijn zal de Wet persoonsregistraties in oktober 1998 vervangen worden door de Wet
bescherming persoonsgegevens.
 


Wet politieregisters

     Wet van 21 juni 1990, houdende regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met politieregisters (Wet politieregisters),
     Stb. 1990, 414 (tekst van de wet per 1 januari 1998)
     inwerkingtreding en wijzigingen

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen

     Artikel 1
     In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
     a. Onze Ministers: Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken gezamenlijk;
     b. politietaak: de taak van de politie, omschreven in artikel 2 van de Politiewet 1993;
     c. politieregisters of register: een persoonsregistratie als bedoeld in de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665), aangelegd ten dienste van
     de uitvoering van de politietaak;
     d. koppeling: het treffen van technische of organisatorische voorzieningen, waardoor verschillende verzamelingen van persoonsgegevens
     systematisch met elkaar kunnen worden vergeleken;
     e. antecedenten: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven persoonsgegevens betreffende de toepassing van het strafrecht of de
     strafvordering;
     f. beheerder met betrekking tot een register:
     1e. bij een regionaal politiekorps: de ingevolge de Politiewet als korpsbeheerder aangewezen burgemeester;
     2e. bij het Korps landelijke politiediensten: Onze Minister van Justitie;
     3e. bij de bijzondere ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 43 van de Politiewet 1993: Onze Minister van Justitie;
     4e. bij de Koninklijke marechaussee: Onze Minister van Defensie;
     5e. gemeenschappelijk aan twee of meer politiekorpsen:
     de beheerder van het politiekorps die is belast met de feitelijke zorg voor het goed functioneren van dat register;
     6e. mede gemeenschappelijk aan de Koninklijke marechaussee: het door Onze Ministers in overeenstemming met Onze Minister van Defensie
     aan te wijzen gezag;
     g. reglement: het reglement, bedoeld in artikel 9;
     h. verstrekken van gegevens uit een politieregister: het bekend maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens, voor zover zulks
     geheel of grotendeels steunt op gegevens die in dat politieregister zijn opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan niet in verband met
     andere gegevens, zijn verkregen;
     i. persoonsgegeven en Registratiekamer of Kamer: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet persoonsregistraties.

     Artikel 2
     Deze wet is niet van toepassing op verzamelingen van persoonsgegevens
     a. die zijn aangelegd voor de uitvoering van de taken ten dienste van de justitie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdelen 1 en 2, van
     de Politiewet 1993;
     b. die naar hun aard voor persoonlijk gebruik zijn bestemd.

     Artikel 3
     Voordrachten tot een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet worden gedaan door Onze Ministers.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

     Artikel 4
     1. Het aanleggen van een politieregister vindt slechts plaats voor een bepaald doel en voor zover dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering
     van de politietaak.
     2. Het bevat slechts persoonsgegevens die rechtmatig zijn verkregen en die noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor het is aangelegd.
     3. De beheerder treft de nodige voorzieningen ter bevordering van de juistheid en de volledigheid van de opgenomen persoonsgegevens.

     Artikel 5
     1. Registratie van personen wegens hun godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, seksualiteit, intiem levensgedrag, of op
     grond van medische of psychologische kenmerken, vindt niet plaats.
     2. Opneming in een register van persoonsgegevens die betrekking hebben op de in het eerste lid genoemde kenmerken, vindt slechts plaats in
     aanvulling op andere persoonsgegevens en voor zover dit voor het doel van het register onvermijdelijk is. Bij algemene maatregel van bestuur
     kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.
     3. Over bepalingen in een reglement omtrent de opneming van persoonsgegevens bedoeld in het tweede lid, wordt de Registratiekamer vooraf
     gehoord.

     Artikel 6
     1. Een politieregister kan slechts worden gekoppeld met een ander politieregister of met een andere verzameling van persoonsgegevens indien
     dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de politietaak.
     2. Een koppeling als bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats overeenkomstig het voor het register geldende reglement. Over bepalingen
     in een reglement omtrent koppeling wordt de Registratiekamer vooraf gehoord.
     3. Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent koppeling nadere regels gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
     4. Onze Minister van Justitie kan in bijzondere gevallen toestemming geven tot een koppeling, in afwijking van het bepaalde krachtens het
     tweede en derde lid, indien dit noodzakelijk is voor de opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Aan de
     toestemming kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. De Registratiekamer wordt hierover zo mogelijk vooraf gehoord. De
     toestemming wordt in ieder geval zo spoedig mogelijk aan de Registratiekamer medegedeeld.

     Artikel 7
     1. De beheerder draagt zorg voor de juiste werking van het register. Aan hem worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor dit doel nodig
     heeft.
     2. Hij draagt zorg voor de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard ter beveiliging van het register tegen verlies of
     aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan. Bij algemene maatregel van bestuur
     worden regels gesteld omtrent gevallen waarin het in het kader van technische werkzaamheden noodzakelijk is van gegevens kennis te
     nemen.

     Artikel 8
     De artikelen 9 en 10 van de Wet persoonsregistraties zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de beheerder voor de
     toepassing van deze artikelen wordt aangemerkt als de houder.

Paragraaf 3. Het reglement

     Artikel 9
     1. De beheerder van een politieregister stelt voor het register een reglement vast.
     2. De vaststelling geschiedt na overleg met het gezag dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de politietaak ten dienste waarvan het
     register wordt aangelegd.
     3. Het reglement wordt bekendgemaakt en voor een ieder ter inzage gelegd overeenkomstig regels bij algemene maatregel van bestuur te
     stellen.
     4. De beheerder zendt een exemplaar van het reglement aan de Registratiekamer.
     5. Het register wordt niet in werking gesteld dan nadat aan het eerste tot en met vierde lid is voldaan.
     6. Het tweede tot en met vijfde lid is van overeenkomstige toepassing bij wijziging of intrekking van het reglement.

     Artikel 10
     1. In het reglement moet de werking van het register zijn beschreven.
     2. Het reglement bevat ten minste een duidelijke regeling van de volgende onderwerpen:
     a. het doel van het register;
     b. de categorieën van personen over wie gegevens worden opgenomen, en de soorten van de over hen op te nemen gegevens;
     c. de gevallen waarin opgenomen gegevens worden verwijderd;
     d. de vernietiging, zodra dit mogelijk is, van verwijderde gegevens;
     e. eventuele verbanden tussen het register en enige andere gegevensverzameling;
     f. de wijze waarop geregistreerde personen of hun wettelijke vertegenwoordigers kennisneming en verbetering van de over hen opgenomen
     gegevens kunnen verkrijgen;
     g. de bevoegdheid tot het invoeren en wijzigen van gegevens in, alsmede het verwijderen van gegevens uit het register;
     h. de aanwijzing van degene, onder verantwoordelijkheid van de beheerder belast met de zeggenschap over het register, en de omschrijving
     van de daaruit voortv[l]oeiende bevoegdheden;
     i. de aanwijzing van degene of degenen, belast met de dagelijkse leiding van het register.
     3. Indien het reglement een politieregister betreft als bedoeld in artikel 1, onder f, sub 4 of sub 5, wordt in het reglement tevens vermeld wie
     beheerder van dat register is.
     4. Het reglement regelt de verstrekking van gegevens uit het register, daaronder begrepen de rechtstreekse toegang met het oog op
     raadpleging van persoonsgegevens, met inachtneming van het bij of krachtens de artikelen 14 tot en met 19 en 27 bepaalde.

     Artikel 11
     De beheerder en al degenen die verder bij de werking van het register zijn betrokken, zijn verplicht het reglement dat voor het register geldt,
     na te leven.

     Artikel 12
     1. Degene die een model van een reglement heeft vastgesteld, kan de Registratiekamer verzoeken te verklaren dat het model naar haar oordeel
     in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens deze wet. Indien de Kamer een zodanige verklaring afgeeft, wordt het model in de
     Staatscourant geplaatst.
     2. Bij vaststelling van een reglement overeenkomstig een model ten aanzien waarvan is voldaan aan het gestelde in het eerste lid, zijn de
     artikelen 5, derde lid, 6, tweede lid, tweede volzin, 9, vierde lid, en 21, derde lid, tweede volzin, niet van toepassing. De beheerder deelt aan de
     Kamer mede overeenkomstig welk model het reglement is vastgesteld.

     Artikel 13
     1. Op registers van tijdelijke aard die zijn aangelegd met het oog op de uitvoering van de politietaak in een bepaald geval. zijn de artikelen 6,
     tweede lid, en 9, eerste lid, niet van toepassing gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn.
     2. Na afloop van deze termijn is artikel 9, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
     3. De beheerder stelt binnen een week nadat is begonnen met het aanleggen van een register als bedoeld in het eerste lid, de Registratiekamer
     daarvan in kennis, tenzij dit inmiddels is vernietigd.
     4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot
     registers als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 4. Het verstrekken van gegevens uit een politieregister

     Artikel 14
     Uit een politieregister worden gegevens verstrekt aan:
     a. ambtenaren van politie, voor zover zij deze behoeven voor de vervulling van de politietaak en zij niet zijn aangesteld voor de uitvoering van
     technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;
     b. krachtens artikel 141, onder c, van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren van de Koninklijke marechaussee, voor zover
     zij deze behoeven voor de vervulling van de hun opgedragen politietaak;
     c. andere opsporingsambtenaren in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, voor zover zij deze behoeven ter opsporing van strafbare feiten bij
     het onderzoek waarvan zij zijn betrokken;
     d. andere opsporingsambtenaren dan begrepen onder a, b en c, voor zover zij deze behoeven ter opsporing van strafbare feiten bij het
     onderzoek waarvan zij zijn betrokken, en mits daartoe in afzonderlijke gevallen door de officier van justitie of in het algemeen door Onze
     Minister van Justitie voorafgaand toestemming is verleend;
     e. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere ambtenaren dan die begrepen onder a en b, voor zover zij deze
     behoeven ter uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen.

     Artikel 15
     1. Uit een politieregister worden op hun verzoek gegevens verstrekt aan:
     a. leden van het openbaar ministerie, voor zover zij deze behoeven
     1. in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie, dan wel over andere personen of instanties die met de opsporing van strafbare
     feiten zijn belast, of
     2. voor de uitvoering van andere bij of krachtens wet opgedragen taken;
     b. de burgemeesters, voor zover zij deze behoeven
     1. voor de afgifte omtrent de verklaringen omtrent het gedrag,
     2. in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie, of
     3. in het kader van de handhaving van de openbare orde.
     c. korpschefs van een regionaal politiekorps, voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van bevoegdheden hun bij of krachtens de Wet
     wapens en munitie (Stb. 1986, 41) of de Wet  op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties verleend.
     d. vervallen.
     2. Voorts kunnen uit een politieregister gegevens worden verstrekt voor zover dit voortvloeit uit de Wet op de inlichtingen- en
     veiligheidsdiensten (Stb. 1987, 635).

     Artikel 16
     1. Uit een politieregister worden op hun verzoek antecedenten verstrekt aan:
     a. Onze Minister van Justitie;
     b. Nederlandse rechterlijke ambtenaren, met rechtspraak belast, voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun taak;
     c. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen reclasseringswerkers en ambtenaren van de kinderbescherming, voor zover zij deze
     behoeven voor de uitoefening van hun taak;
     d. korpschefs van een regionaal politiekorps, voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van bevoegdheden hun bij of krachtens de
     Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40) en de Jachtwet (Stb. 1954, 523) toegekend.
     2. Uit een politieregister kunnen op hun verzoek antecedenten worden verstrekt aan benadeelden van strafbare feiten voor zover zij deze
     behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen.

     Artikel 17
     Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van bepaalde categorieën van gegevens de verplichting ingevolge de artikelen 14, 15,
     eerste lid, en 16, eerste lid, om deze gegevens te verstrekken, worden beperkt. Daarbij kan verder de bevoegdheid worden beperkt om
     ingevolge deze bepalingen uit een politieregister:
     a. bepaalde gegevens te verstrekken of
     b. aan bepaalde personen gegevens te verstrekken.

     Artikel 18
     1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verstrekking van gegevens uit een politieregister - hetzij door
     tussenkomst van lnterpol, hetzij anderszins - aan politieautoriteiten in andere landen, alsmede omtrent de daarbij te stellen voorwaarden aan
     het gebruik daarvan door die politieautoriteiten.
     2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verstrekking van gegevens uit het register van het meldpunt bedoeld
     in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties aan van overheidswege aangewezen niet-politiële instanties in het buitenland die een
     vergelijkbare taak hebben als het meldpunt, alsmede omtrent de daarbij te stellen voorwaarden aan het gebruik daarvan door die autoriteiten.
     3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen of instanties met een publieke taak belast, indien het openbaar belang dit vordert,
     worden aangewezen aan wie in bij die algemene maatregel aan te geven gevallen gegevens uit een politieregister mogen worden of dienen te
     worden verstrekt. Daarbij kunnen nadere regels omtrent de verstrekking worden gesteld.
     4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verstrekken van gegevens uit een politieregister ten behoeve van
     wetenschappelijk onderzoek en statistiek, met dien verstande dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen bevatten.
     5. Onze Minister van Justitie of Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan in bijzondere gevallen toestemming of opdracht geven tot het
     verstrekken van daartoe omschreven gegevens uit een politieregister. Hij doet van de desbetreffende beschikking mededeling aan de
     Registratiekamer.

     Artikel 19
     Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de voor verzoeken tot verstrekking van gegevens uit een
     politieregister en de verstrekking daarvan in acht te nemen procedure en de vastlegging van verstrekkingen uit het register.

Paragraaf 5.  Rechten van de belanghebbende op kennisneming en verbetering

     Artikel 20
     1. De beheerder deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende persoonsgegevens in
     een register zijn opgenomen. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de herkomst van de gegevens en over degenen aan
     wie deze zijn verstrekt. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm.
     2. De beheerder draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.
     3. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten
     aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de
     wettelijke vertegenwoordigers.
     4. vervallen.

     Artikel 21
     1. Een mededeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid, blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de
     politietaak dan wel indien gewichtige belangen van derden daartoe noodzaken.
     2. Het eerste lid is niet van toepassing op antecedenten of op persoonsgegevens die op verzoek van de geregistreerde zijn opgenomen.
     3. In het reglement wordt bepaald in hoeverre toepassing wordt gegeven aan het bepaalde bij het eerste lid. Omtrent dergelijke bepalingen
     wordt de Registratiekamer vooraf gehoord.

     Artikel 22
     1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 20 mededeling is gedaan van hem betreffende persoonsgegevens, kan de beheerder schriftelijk
     verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen.
     2. Artikel 31 van de Wet persoonsregistraties is verder van overeenkomstige toepassing.

     Artikel 23
     1. Indien de beheerder niet aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 20 of 22 voldoet, kan de betrokkene zich tot de
     arrondissementsrechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de beheerder te bevelen alsnog aan dat verzoek te voldoen.
     2. Artikel 34, tweede tot en met achtste lid, van de Wet persoonsregistraties is van overeenkomstige toepassing.

     Artikel 24
     De beheerder die in een register persoonsgegevens heeft verbeterd, aangevuld of daaruit heeft verwijderd naar aanleiding van een verzoek
     van een belanghebbende ingevolge artikel 22, een bevel van de rechter ingevolge artikel 23 of een daartoe strekkende aanbeveling van de
     Registratiekamer, is verplicht om aan hen aan wie hij naar zijn weten in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek
     verstreken periode de betrokken gegevens heeft verstrekt, mededeling te doen van deze wijziging.

     Artikel 25
     1. Een verzoek ingevolge artikel 20, is slechts ontvankelijk na betaling van een kostenvergoeding. Het bedrag van de vergoeding en de wijze
     van betaling worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
     2. De vergoeding wordt teruggegeven wanneer het verzoek leidt tot verbetering, aanvulling of verwijdering van de persoonsgegevens van de
     betrokkene, of wanneer het verzoek moet worden geweigerd ingevolge artikel 21, eerste lid.

Paragraaf 6. Bepalingen betreffende het toezicht

     Artikel 26
     1. De Registratiekamer ziet toe op de werking van de politieregisters overeenkomstig het bij en krachtens deze wet bepaalde en in het belang
     van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het algemeen.
     2. Voor de behandeling en afdoening van de aangelegenheden voortvloeiend uit het eerste lid, wordt bij de Kamer een meervoudige afdeling
     ingesteld.
     3. Met het toezicht op de naleving van het bij enig wettelijk voorschrift ten aanzien van de  werking van politieregisters bepaalde, zijn belast de
     leden, plaatsvervangende leden en buitengewone leden van de Kamer en de ambtenaren van het secretariaat van de Kamer.

     Artikel 27
     De artikelen 37, vijfde lid,  44, 45 en 46 van de Wet persoonsregistraties zijn van overeenkomstige toepassing.

     Artikel 28
     De korpsbeheerders van een regionaal politiekorps, de korpschef van het Korps landelijke politiediensten en de commandant van de Koninklijke
     marechaussee, verstrekken de Kamer desgevraagd inlichtingen omtrent bij hun korps of wapen aangelegde andere verzamelingen van
     persoonsgegevens dan een politieregister. Met betrekking tot deze verzamelingen is artikel 45 van de Wet persoonsregistraties van
     overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7. Overgangs- en slotbepalingen

     Artikel 29
     Aan de artikelen 5, derde lid, 7, eerste lid, onder c, 23, eerste lid, onder c, en 30 van de Politiewet wordt de volzin toegevoegd: Regels
     betreffende een politieregister als bedoeld in artikel 1 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414), worden niet gegeven dan nadat de
     Registratiekamer, bedoeld in artikel 37 van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665), is gehoord.

     Artikel 30
     1. Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan,
     behoudens voor zover een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met het oog
     waarop de gegevens zijn verstrekt tot het ter kennis brengen daarvan noodzaakt.
     2. Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing.

     Artikel 31
     1. De artikelen 1 tot en met 3 en 26 tot en met 30 van deze wet treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
     Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
     2. De overige artikelen van deze wet treden zes maanden later in werking.

     Artikel 32
     1. Het reglement voor een politieregister bestaande op het in artikel 31, tweede lid, bedoelde tijdstip, wordt binnen zes maanden na dat tijdstip
     vastgesteld.
     2. Binnen dezelfde termijn wordt de inhoud van het register met het reglement en het bij of krachtens deze wet bepaalde in overeenstemming
     gebracht. Onze Ministers, de Registratiekamer gehoord, kunnen ten aanzien van het register deze termijn eenmaal met dezelfde termijn
     verlengen.

     Artikel 33
     Deze wet kan worden aangehaald als: Wet politieregisters.


Besluit politieregisters

  Besluit van 14 februari 1991, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet politieregisters (Besluit
      politieregisters), Stb. 1991, 56. (tekst van het besluit per 1 januari 1998) inwerkingtreding en wijzigingen
 

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Defensie, van 7 januari 1991, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
41162/91/6;
Gelet op de artikelen 1, onder e, 3, 5, tweede lid, 6, derde lid, 7, tweede lid, 9, derde lid, 13, eerste en vierde lid, 14, onder e, 16, eerste lid, onder c, 17, 18,
eerste tot en met derde lid, 19 en 25, eerste lid, van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414);
Gehoord de Registratiekamer (advies van 30 november 1990, nr. WGAG/1990/2);
De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 1991, nr. WO 3.91.0017);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie, mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Defensie a.i., van 12 februari 1991,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 44995/91/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
 

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder
a.de wet: de Wet politieregisters;
b. een register van de criminele inlichtingendienst of CID-register: een register dat is aangelegd met het oog op de voorkoming of opsporing van misdrijven die,
gezien hun ernst of frequentie dan wel het georganiseerd verband waarin zij worden gepleegd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren;
c. CID-subject: een persoon die als verdachte betrokken is of naar redelijkerwijs kan worden vermoed als verdachte betrokken zal worden bij misdrijven met het
oog waarop een CID-register is aangelegd;
d. een grijze veld-register: een register dat is aangelegd met het oog op de vaststelling of de geregistreerde in samenhang met andere gegevens kan worden
aangemerkt als CID-subject;
e. het bevoegd gezag:
1E. bij de handhaving van de openbare orde en bij de hulpverlening: de burgemeester;
2E. bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde: de officier van justitie;
f. het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties: het meldpunt, bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties.(1)

Artikel 2

De volgende persoonsgegevens zijn antecedenten:

a. het feit dat een proces-verbaal is opgemaakt van het verhoor van een bepaald persoon ter zake van een strafbaar feit waarvoor deze als verdachte is
gehoord, daaronder begrepen de aanduiding van de aard van dat strafbare feit;(2)

b. het feit of al dan niet een proces-verbaal als bedoeld onder a, is verzonden aan het openbaar ministerie, en zo ja, de datum van verzending en het nummer
waarmee het proces-verbaal aldaar kan worden geïdentificeerd en

c. de beslissing van het openbaar ministerie of de rechter over de aangelegenheid waarop het proces-verbaal betrekking heeft.
 

Paragraaf 2. Algemene bepalingen
 

Artikel 3

1. Persoonsgegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wet genoemde kenmerken, worden slechts in een register opgenomen indien het
reglement dit uitdrukkelijk toelaat.

2. Persoonsgegevens met betrekking tot iemands ras, worden slechts opgenomen indien dit onvermijdelijk is

a. met het oog op diens identificatie;

b. voor de juiste beoordeling van een strafbaar feit en zulk een gegeven het slachtoffer of de motieven van de dader van dat feit betreft;

c. met het oog op de verlening van hulp door de politie.

3. Bij de opneming van een gegeven als bedoeld in het eerste lid, wordt tevens een aanduiding omtrent de betrouwbaarheid van het gegeven opgenomen. De
aanduiding wordt gegeven door personen die daartoe door de beheerder zijn aangewezen.
 

Artikel 4

1. Koppeling is slechts toegestaan van een politieregister met een ander politieregister of met een persoonsregistratie als bedoeld in artikel 17, aanhef en onder a,
van de Wet persoonsregistraties (Stb.1988, 665).

2. Koppeling van een register als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, met een ander register vindt slechts plaats voor zover dit noodzakelijk is voor het
doel waarvoor het eerstbedoelde register is aangelegd.
 

Artikel 5

1. Van een koppeling wordt een proces-verbaal opgemaakt dat zo nauwkeurig mogelijk vermeldt:

a. het doel van de koppeling;

b. de datum van de koppeling;

c. degeen in wiens opdracht de koppeling plaatsvond;

d. de registraties die zijn gekoppeld, alsmede de naam van de beheerder of de houder van die registraties;

e. of de koppeling heeft geleid tot nieuwe persoonsgegevens en zo ja, welke;

f. of de gegevens, bedoeld onder e, zijn opgenomen in een register en zo ja, in welk;

g. eventuele bijzonderheden.

2. De beheerder bewaart het proces-verbaal gedurende twee jaren op zodanige wijze dat dit desgevraagd onmiddellijk aan de daartoe bevoegde organen ter
inzage kan worden gegeven.

3. Bij reglement kan van het eerste lid worden afgeweken voor zover dat onvermijdelijk is met het oog op een goede uitvoering van de politietaak.
 

Artikel 6

1. De personen die technische werkzaamheden verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, tweede volzin, van de wet, komen niet als geregistreerde voor in de
registers waarvan zij in dat kader kunnen kennisnemen.

2. De beheerder bepaalt vooraf schriftelijk welke personen onder welke voorwaarden de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, kunnen verrichten.

3. Indien de werkzaamheden langs geautomatiseerde weg worden verricht, worden deze vastgelegd.

4. De gegevens die zijn vastgelegd krachtens het tweede en derde lid, worden gedurende twee jaren bewaard.
 

Paragraaf 3. Het reglement
 

Artikel 7(3)

1. Een reglement wordt voor een ieder ter inzage gelegd wanneer het betreft een register bij:

a. het regionale politiekorps: op het hoofdbureau van politie en op de bureaus waar het desbetreffende register wordt gevoerd of rechtstreeks toegankelijk is;

b. het Korps landelijke politiediensten en de bijzondere ambtenaren van politie: bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Justitie en het betrokken
onderdeel(4);

c. de Koninklijke marechaussee: bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Defensie, bij de Commandant van de Koninklijke marechaussee, bij het Hoofd
van de Centrale Recherche Koninklijke marechaussee en op de bureaus van de districts-commandanten;

d. het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties: bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Justitie en ter plaatse van de vestiging van het Meldpunt.(5)

2. Indien de beheerder behoort tot het Rijk, maakt hij het reglement bekend in de Staatscourant en doet hij van het reglement of het feit van terinzagelegging
mededeling in het Algemeen Politieblad.(6)

3. De beheerder van een regionaal politiekorps maakt het reglement of het feit van de terinzagelegging bekend op een in de gemeente waarvan de
korpsbeheerder burgemeester is gebruikelijke wijze.(7)

4. Het reglement met betrekking tot een register mede gemeenschappelijk aan de Koninklijke marechaussee wordt bekendgemaakt en ter inzage gelegd op een bij
de beslissing krachtens artikel 1, onder f, onder b, onderdeel 6, van de wet te bepalen wijze.(8)

5. De bekendmaking van het feit van de terinzagelegging van een reglement vermeldt de aard van het register, de datum waarop het reglement is vastgesteld en
de beheerder, alsmede de plaatsen waar het reglement voor een ieder ter inzage is gelegd.

6. Ten aanzien van een bekendmaking van een wijziging of de intrekking van een reglement zijn het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing.
 

Paragraaf 4. De tijdelijke registers

Artikel 8

1. Indien wordt besloten tot het aanleggen van een register als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, wordt daarbij vooraf schriftelijk vastgelegd:

a. het doel van het register met inbegrip van een nauwkeurige omschrijving van het bepaalde geval, zo mogelijk aangeduid naar tijd en plaats;

b. de datum waarop met het aanleggen van het register wordt begonnen.

2. De beheerder stelt binnen een week nadat is begonnen met het aanleggen van dit register, het gezag dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de
politietaak ten dienste waarvan het is aangelegd, daarvan in kennis, tenzij het inmiddels is vernietigd.

3. De artikelen 6, tweede lid, en 9, eerste lid, van de wet, alsmede artikel 3, eerste lid, van dit besluit zijn op dit register niet van toepassing gedurende zes
maanden na de datum, bedoeld in het eerste lid, onder b. Het bevoegd gezag kan deze termijn één of meer malen verlengen voor de duur van ten hoogste zes
maanden, indien het doel waarvoor het register is aangelegd door de bekendmaking en de terinzagelegging van een reglement ernstig in gevaar zou worden
gebracht en de beheerder een regeling heeft getroffen met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 10 van de wet. Van elke beslissing tot verlenging
wordt melding gemaakt aan de Registratiekamer.

4. Indien dit uit het doel waarvoor het register is aangelegd, voortvloeit, kan het register worden overgedragen aan een andere beheerder of worden
samengevoegd met een ander register als bedoeld in het eerste lid. Het tweede lid is alsdan van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het nieuwe
gezag.

5. Indien het register wordt overgedragen of samengevoegd, wordt de termijn, bedoeld in het derde lid, niet geschorst. Bestaat er voor het register een
reglement, dan wordt dit dienovereenkomstig aangepast. Indien het register wordt overgedragen kan het doel niet worden gewijzigd. Indien het register wordt
samengevoegd met een ander register kan het doel slechts worden verruimd met toestemming van

a. de officier van justitie, indien het betreft een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder diens gezag of

b. de burgemeester, indien het betreft een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder diens gezag.

6. Bij dringende noodzakelijkheid kan in plaats van de officier van jusititie de hulpofficier van justitie en in plaats van de burgemeester een door hem schriftelijk
aangewezen politie-ambtenaar de toestemming als bedoeld in het vijfde lid, geven, onder de verplichting om van de ondernomen handeling onverwijld schriftelijk
kennis te geven aan de officier van justitie onderscheidenlijk de burgemeester.

7. De Registratiekamer wordt van een samenvoeging of een overdracht zo spoedig mogelijk in kennis gesteld, onder vermelding van de datum daarvan.

8. Indien het doel met het oog waarop het register is aangelegd, is bereikt, worden de daarin opgenomen persoonsgegevens zo spoedig mogelijk vernietigd voor
zover deze geen betekenis hebben voor een eventueel verder strafrechtelijk onderzoek in het bepaalde geval als omschreven krachtens het eerste lid, onder a,
dan wel het vijfde of zesde lid.

9. Van de vernietiging als bedoeld in het achtste lid, wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat gedurende twee jaren wordt bewaard op zodanige wijze dat dit
desgevraagd onmiddellijk aan de daartoe bevoegde organen ter inzage kan worden gegeven.


Paragraaf 5. Het verstrekken van gegevens uit een politieregister
 

Artikel 9

Aan de volgende ambtenaren worden, in aanvulling op de ambtenaren, bedoeld in artikel 14, onder a en b, van de wet, gegevens uit een register verstrekt voor
zover zij deze behoeven ter uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen:

a. ambtenaren van de dienst van de invoerrechten en accijnzen;

b. buitengewoon opsporingsambtenaren(9) die als werknemer zijn tewerkgesteld bij de Nederlandse Spoorwegen N.V., voor zover zij deel uitmaken van de
Spoorwegpolitie;

c. ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van opdrachten in het buitenland.(10)
 

Artikel 10

Antecedenten worden op hun verzoek, voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van hun taak, verstrekt aan:

a. reclasseringswerkers als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1986 (Stb.1);

b. ambtenaren die zijn verbonden aan het bureau van een Raad voor de kinderbescherming en zijn benoemd krachtens artikel 21, eerste lid, van het
Organisatiebesluit raden voor de Kinderbescherming 1982 (Stb. 16).
 

Artikel 11

1. Een beheerder is bevoegd verstrekking van gegevens uit een politieregister ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, onder b tot en met d, van de wet te
weigeren indien:

a. het gegevens betreft omtrent personen die aan de politie informatie hebben verstrekt omtrent door anderen gepleegde of te plegen strafbare feiten;

b. het gegevens uit een CID-register betreft, tenzij het een verstrekking betreft als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van gegevens die noodzakelijk zijn om te
kunnen vaststellen of een persoon CID-subject is; of

c. het gegevens uit een register betreft waarbij, mede gelet op de bijzondere aard van het register, in geval van verstrekking direct gevaar voor de geregistreerde
of voor derden zou zijn te duchten.(11)

2. Verstrekking van gegevens uit een politieregister ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, van de wet kan achterwege worden gelaten indien de
desbetreffende gegevens slechts konden worden verkregen onder de voorwaarde dat deze alleen voor een bepaald doel zou worden gebruikt en de verstrekking
een ander doel zou betreffen. Het bestaan van een dergelijke voorwaarde kan slechts worden aangenomen indien van de voorwaarde blijkt uit een
proces-verbaal en van het bestaan van een dergelijke voorwaarde aantekening is gehouden in datzelfde register.

3. Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak. Bij de verstrekking van de daar
bedoelde gegevens kunnen beperkingen aan het gebruik van de gegevens worden opgelegd.(12)
 

Artikel 12

1. Er worden geen gegevens uit een politieregister verstrekt ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, van de wet, indien de verstrekking een ander doel zou
betreffen dan waarvoor het register is aangelegd:

a. wanneer het een register betreft als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, tenzij

1E. de verstrekking plaatsvindt ten behoeve van de opsporing van een misdrijf dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert,

2E. de verstrekking plaatsvindt ten behoeve van de opneming in een CID-register of in een ?grijze veld?-register of

3E. uit de gegevens zelf een redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaalde persoon een strafbaar feit heeft begaan;

b. wanneer het een ?grijze veld?-register betreft, tenzij de gegevensverstrekking plaatsvindt op grond van het bepaalde in artikel 14, tweede lid, en het slechts
gegevens betreft die noodzakelijk zijn om te kunnen vaststellen of een persoon in dat register is opgenomen;(13)

c. wanneer het register uitsluitend is aangelegd met het oog op de uitvoering van de hulpverleningstaak van de politie, tenzij met uitdrukkelijke instemming van de
geregistreerde;

d. wanneer het een register bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties betreft, tenzij:

1E. de verstrekking plaatsvindt ten behoeve van de opneming in een CID-register of in een ?grijze veld?-register;

2E. uit de gegevens zelf een redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaalde persoon een misdrijf heeft begaan;

3E. de gegevensverstrekking plaatsvindt op grond van artikel 15, eerste lid, onder a, van de wet, en deze gegevens redelijkerwijs van belang kunnen zijn ter
voorkoming of opsporing van misdrijven als bedoeld in artikel 1, onder b;

4E. de verstrekking plaatsvindt op grond van artikel 13, derde lid, en het gegevens betreft die noodzakelijk zijn ter opsporing van een misdrijf waardoor de
rechtsorde in het verzoekende land ernstig is geschokt.(14)

2. Er worden geen gegevens uit een politieregister verstrekt ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, van de wet omtrent de uitoefening door de
geregistreerde van het recht op kennisneming of verbetering ingevolge de artikelen 20, eerste lid, onderscheidenlijk 22, eerste lid, van de wet.

3. Gegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wet genoemde kenmerken, worden slechts verstrekt

a. ingevolge artikel 14 van de wet voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak;

b. ingevolge artikel 15, eerste lid, 16, eerste lid, en krachtens artikel 18 van de wet voor zover dit onvermijdelijk is voor de goede uitvoering van de taak met het
oog waarop wordt verstrekt.

4. Bij een verstrekking van gegevens als bedoeld in het derde lid, wordt de daarbij ingevolge artikel 3, derde lid, opgenomen aanduiding omtrent de
betrouwbaarheid vermeld.
 

Artikel 13

1. Uit een politieregister kunnen gegevens worden verstrekt aan politie-autoriteiten in een ander land indien dit noodzakelijk is:

a. voor de goede uitvoering van de politietaak in Nederland of voor de uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen door
Nederlandse autoriteiten;

b. ter voorkoming van een ernstig en dreigend gevaar of ter opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde in dat land ernstig is geschokt of

c. voor de goede uitvoering van de politietaak in dat land, op grond van een verzoek met betrekking tot een bepaalde persoon of een bepaald geval.

2. In de grensgebieden kunnen gegevens als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, ook zonder een daartoe strekkend verzoek worden verstrekt.

3. Uit een politieregister bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties kunnen gegevens worden verstrekt aan van overheidswege aangewezen administratieve of
politiële meldpunten in het buitenland die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt. Het zevende lid vindt geen toepassing.

4. Bij de beoordeling van de vraag of gegevens ingevolge het eerste of derde lid zullen worden verstrekt, wordt rekening gehouden met de mate waarin
waarborgen in het andere land aanwezig zijn met betrekking tot een juist gebruik van de verstrekte gegevens en met betrekking tot de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer.

5. De gegevens worden steeds verstrekt onder de algemene voorwaarde dat deze slechts zullen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. De
beheerder kan in bijzondere gevallen op verzoek van de buitenlandse politie-autoriteiten toestemmen in gebruik voor een ander doel voor zover dit noodzakelijk
is voor goede uitvoering van de politietaak in dat land.

6. Gegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wet genoemde kenmerken, worden slechts verstrekt indien dit met het oog op een juiste
beantwoording van een door een buitenlandse politie-autoriteit gestelde vraag onvermijdelijk is. Daarbij wordt een aanduiding omtrent de betrouwbaarheid van
het gegeven vermeld.

7. De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van het Korps landelijke politiediensten.(17) De verstrekking kan echter rechtstreeks plaatsvinden
overeenkomstig afspraken met politie-autoriteiten in het buitenland, voor zover met deze afspraken is ingestemd door (18)

a. Onze Minister van Justitie, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de
officier van justitie of

b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het
gezag van de burgemeester.

8. Onverminderd het bepaalde in artikel 552 h van het Wetboek van Strafvordering worden geen gegevens verstrekt:

a. wanneer een vermoeden bestaat dat de gegevens zullen worden gebruikt voor een onderzoek, ingesteld met het oogmerk een verdachte te vervolgen, te
straffen, of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige of staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking
waartoe hij behoort;

b. voor zover het verstrekken van gegevens zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of een berechting welke onverenigbaar is met
het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel;

c. ten behoeve van een onderzoek naar feiten terzake waarvan de verdachte in Nederland wordt vervolgd;

d. ten behoeve van een onderzoek naar feiten als bedoeld in artikel

552m van het Wetboek van Strafvordering, dan krachtens een overeenkomstig die bepaling verleende machtiging van Onze Minister van Justitie.(19)

9. Indien grond bestaat voor het vermoeden, bedoeld in het achtste lid, onder a, wordt het verzoek aan Onze Minister van Justitie voorgelegd.(20)

10. Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid(21) is niet van toepassing op de politie-ambtenaar uit een ander land die als contactambtenaar is
geplaatst [bij(22),] bij enig politiekorps of bij het Wapen der Koninklijke marechaussee, voor zover met het land door welke hij is gezonden, daarvan afwijkende
afspraken zijn gemaakt waarmee Onze Minister van Justitie heeft ingestemd.(23) Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt op gelijke voet als aan Nederlandse
politie-ambtenaren voor zover in overeenstemming met deze afspraken.

11. Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid(24) is evenmin van toepassing op de Nederlandse politie-ambtenaar of de ambtenaar van de Koninklijke
marechaussee die als contactambtenaar of anderszins is gezonden naar het buitenland. Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt als ware hij in Nederland.
Het eerste, tweede, vierde tot en met zesde alsmede het achtste, negende en twaalfde lid zijn van toepassing bij de verstrekking van de door hen ontvangen
gegevens aan politie-autoriteiten in het land waar zij werkzaam zijn.(25)

12. De artikelen 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing.
 

Artikel 14(26)

1. Gegevens worden desgevraagd uit een politieregister verstrekt, voorzover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, aan

a. de personen, anders dan die bedoeld in artikel 14, onder a, van de wet, die bij de politie(27), het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties of bij de Centrale
Recherche Koninklijke marechaussee werkzaam zijn ten dienste van de uitvoering van de politietaak, voor zover zij daartoe door de desbetreffende beheerder
schriftelijk zijn geautoriseerd;(28)

b. de Commissie schadefonds geweldsmisdrijven als bedoeld in artikel 2 van de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven (Stb.1975, 382);

c. de Directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen voor zover dit noodzakelijk is met het oog op het onderzoek, bedoeld in de artikelen
101 en 142 van het Reglement rijbewijzen, en het betreft overtreding van artikel 6 of artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;(29)

d. personen, werkzaam bij het bureau vertrouwensartsen als bedoeld in de Bijlage onder I, onder 4, behorende bij de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 1989,
360);

e. personen, belast met de uitvoering van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40), voor zover het betreft gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van
de identiteit van personen;

f. personen die de beheerder heeft benoemd in een commissie die toezicht houdt op de naleving van de gestelde regels bij of krachtens de wet met betrekking tot
het register, voor zover het reglement dat bepaalt en Onze Ministers, de Registratiekamer gehoord, met dit reglement hebben ingestemd;

g. de directeuren van de inrichtingen, bedoeld in artikel 6 van de Beginselenwet gevangeniswezen, de directeuren van de inrichtingen, bedoeld in artikel 37d van
het Wetboek van Strafrecht, en de directeuren van de voorzieningen, bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening, voor zover zij deze behoeven
voor het nemen van beslissingen inzake hetzij de aanstelling of het ontslag van personeel, hetzij voor de toelating tot de inrichting van personen die niet worden
ingesloten in de inrichting voor zover dat noodzakelijk is voor de orde of de veiligheid van de inrichting respectievelijk de voorziening;

h. personen die optreden namens een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid op ideële grondslag die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke
werkzaamheden in het bijzonder de belangen van slachtoffers van strafbare feiten of van verkeersongevallen behartigt, voor zover de gegevens betrekking
hebben op deze slachtoffers en die rechtspersoon tot het ontvangen van dergelijke gegevens is gemachtigd door de Minister van Justitie, de Registratiekamer
gehoord;(30)

i. de Nederlandse Vereniging van Automobielassuradeuren, gevestigd te 's Gravenhage, voor zover het betreft gegevens inzake aanrijdingen en

j. personen en instanties met een publieke taak belast, voor zover het betreft gegevens die op hun verzoek met het oog op de signalering van personen zijn
opgenomen;

k. Onze Minister van Justitie, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op:

1E. de afgifte van een verklaring van geen bezwaar in verband met de oprichting van een naamloze of besloten vennootschap dan wel de wijziging van de
statuten daarvan;

2E. de uitoefening van de bevoegdheden krachtens de Wet wapens en munitie of de Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties;

l. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, voor zover hij deze behoeft in verband met de hem bij de artikelen 131 tot en met 134 van de Wegenverkeerswet
1994(31) opgedragen taak;

m. de Directeur van de Dienst wegverkeer, voor zover hij deze behoeft in verband met de uitvoering van de taken van de Dienst Wegverkeer;(32)

n. medewerkers van Halt-bureaus, voor zover deze bureaus zijn aangesloten bij de Stichting Halt Nederland, en het gegevens betreft die voor de alternatieve
afdoening van strafbare feiten, gepleegd door minderjarigen, noodzakelijk zijn;

o. Onze Minister van Justitie, voor zover dit in het kader van de beoordeling van een verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel
9, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, noodzakelijk is teneinde na te gaan of tegen de betrokkene een uitleveringsverzoek is gedaan;

p. de burgemeester, voor zover dit in het kader van de beoordeling van een verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op
het Nederlanderschap, noodzakelijk is;

q. de burgemeester en de commissaris van de Koning, voor zover dit in het kader van hun adviserende taak, bedoeld in het Reglement op de Orde van de
Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau noodzakelijk is;

r. ambtenaren aan wie bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het toezicht op de naleving van de regels die zijn gesteld bij of krachtens de Wet
milieubeheer, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Wet Gevaarlijke Stoffen, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet
inzake de luchtverontreiniging, de Wet chemische afvalstoffen, de Afvalstoffenwet, de Wet bodembescherming en de Meststoffenwet, voor zover het gegevens
over overtredingen van deze wetten betreft en zij deze behoeven voor de goede uitoefening hun toezichthoudende bevoegdheden;

s. de raad voor de kinderbescherming, voor zover het de strafrechtelijke uitoefening van zijn taak betreft, alsmede zijn bevoegdheden ter uitvoering van de
ondertoezichtstelling van minderjarigen, bedoeld in de artikelen 254 en volgende van Boek I van het Burgerlijk Wetboek en de in het kader daarvan te treffen
voorlopige voorzieningen en voor zover het gegevens betreft die uitsluitend zijn vastgelegd met het oog op de hulpverleningstaak van de politie;

t. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit
rechtspositie vrijwillige politie, voor zover zij deze behoeven voor het verrichten van een antecedentenonderzoek als bedoeld in artikel 8a, eerste en tweede lid,
en artikel 8b, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 4a, eerste lid, en artikel 4b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie vrijwillige
politie, of voor het verrichten van een antecedentenonderzoek ten aanzien van personen die op basis van een arbeidsovereenkomst of anderszins
werkzaamheden verrichten voor een politiekorps of het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie. (toegevoegd bij *)

2. Uit een politieregister worden gegevens verstrekt aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, voor zover het die behoeft voor een goede uitvoering van zijn
taak.

3. Aan de machtiging, bedoeld in het eerste lid, onder k, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.(33)

4. De artikelen 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing.
 

Artikel 14a(34)

1. Uit een politieregister kunnen desgevraagd gegevens worden verstrekt, voorzover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, aan:

a. Onze Minister van Financiën op grond van:

1?. de artikelen 23, tweede lid, onder d, 24, tweede lid, onder d, 26, zesde en zevende lid, 41 en 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992,

2?. artikel 22, eerste en tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995,

3?. de artikelen 174, vierde lid, onder c, 175, tweede lid, onder d, en 176, zesde lid, onder b, en zevende lid, onder c, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993,

4?. de artikelen 82, tweede lid, onder d, en 84, zesde lid, onder b, en zevende lid, onder c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf,

b. Onze Minister van Financiën, dan wel de rechtspersoon of rechtspersonen waaraan op grond van artikel 40 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 taken
en bevoegdheden zijn overgedragen, op grond van de artikelen 7, vierde lid, 11, eerste lid, aanhef en onder a, en zevende lid, 16,

vierde lid, 19, eerste lid, en 20 van die wet,

c. Onze Minister van Financiën, dan wel de rechtspersoon of rechtspersonen waaraan op grond van artikel 29 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen taken
en bevoegdheden zijn overgedragen, op grond van de artikelen 5, eerste lid, aanhef en onder a, 12, eerste lid, en 15, aanhef en onder e, van die wet,

d. De Nederlandsche Bank N.V. op grond van:

1?. de artikelen 9, eerste lid, onder c en e, 14, onder b, en slot, 15, eerste lid, onder d, 23, tweede lid, onder c, 24, tweede lid, onder c, 26, zesde en zevende lid,
39, 41, 45, eerste lid, en 47, aanhef en onder d, van de Wet toezicht kredietwezen 1992,

2?. de artikelen 3, tweede lid, aanhef en onder a en b, en 6, tweede lid, onder c, aanhef en onder 1e en 2e, van de Wet inzake de wisselkantoren,

e. De Verzekeringskamer op grond van:

1?. de artikelen 29, tweede en vierde lid, 30, 45, zevende lid, 82, derde lid, 148, aanhef en onder b, 174, vierde lid, onder a en b, 175, tweede lid, onder a tot en
met c, 176, zesde lid, onder b, en zevende lid, onder a tot en met c, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993,

2?. de artikelen 18, tweede en vierde lid, 19, 23, zevende lid, 60, aanhef en onder b, 82, tweede lid, onder a tot en met c, en 84, zesde lid onder b, en zevende
lid, onder a tot en met c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, voor zover verstrekking van deze gegevens

verenigbaar is met een doeltreffende opsporing en vervolging van strafbare feiten. Verstrekking vindt niet plaats, indien de gegevens onvoldoende betrouwbaar
moeten worden geacht als grondslag voor de uitoefening van vorenbedoelde taken.

2. Verstrekking van gegevens als bedoeld in het eerste lid, of van inlichtingen daarover, vindt alleen plaats door, dan wel met bijzondere toestemming van het
openbaar ministerie en onder daaraan door het openbaar ministerie te stellen voorwaarden. Die voorwaarden kunnen onder meer betreff