WET
POLITIEREGISTERS
par
1. Inleidende bepalingen
par
2. Algemene bepalingen
par
3. Het reglement
par
4. Het verstrekken van gegevens uit een politieregister
par
5. Rechten van de belanghebbende op kennisneming en verbetering
par
6. Bepalingen betreffende het toezicht
par
7. Overgangs- en slotbepalingen
BESLUIT
POLITIEREGISTERS
par
1. Inleidende bepalingen
par
2. Algemene bepalingen
par
3. Het reglement
par
4. De tijdelijke registers
par
5. Het verstrekken van gegevens uit een politieregister
par
6. Het vastleggen van verstrekkingen
par
7. Kostenvergoeding bij verzoeken tot kennisneming
par
8. Slotbepalingen
CRIMINELE INLICHTINGENDIENSTEN (CID) REGELING
WET
PERSOONSREGISTRATIES (tekst per 1 januari 1997)
Wet van 28 december 1988, houdende regels ter
bescherming van de Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut!
doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter
bescherming van de Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en
met gemeen overleg der Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Artikel 2. Artikel 3. Paragraaf 2. Algemene bepalingen
Artikel 4. Artikel 5. Artikel 6. Artikel 6a. Artikel 7. Artikel 8. Artikel 9. Artikel 10. Paragraaf 3. Verstrekken van gegevens aan een
derde
Artikel 11. Artikel 12. Artikel 13. Artikel 14. Paragraaf 4. Gedragscodes en bijzondere
voorschriften
Artikel 15. Artikel 16. Paragraaf 5. Persoonsregistraties op het gebied van
de overheid en het Artikel 17. Artikel 18. Artikel 19. Artikel 20. Artikel 21. Artikel 22. Paragraaf 6. Persoonsregistraties op het
gebied van bedrijf en beroep en Artikel 23. Artikel 24. Artikel 25. Artikel 26. Artikel 27. Paragraaf 7. Rechten van de belanghebbende op
kennisneming en Artikel 28. Artikel 29. Artikel 30. Artikel 31. Artikel 32. Artikel 33. Artikel 34. Artikel 35. Artikel 36. Paragraaf 8. De Registratiekamer
Artikel 37. Artikel 38. Artikel 39. Artikel 40. Artikel 41. Artikel 42. Artikel 43. Artikel 44. Artikel 45. Artikel 46. Paragraaf 9. Internationale aspecten
Artikel 47. Artikel 48. Artikel 49. Artikel 50. Paragraaf 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 51. Vervallen
Artikel 52. Wijziging andere regelgeving
Artikel 53. Wijziging andere regelgeving.
Artikel 54. Artikel 55. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat Gegeven te 's-Gravenhage, 28 december 1988
De Minister van Justitie,
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de vijfde januari 1989
Bijzonderheden
Op grond van de Europese richtlijn zal de Wet persoonsregistraties in oktober
1998 vervangen worden door de Wet
Wet van 21 juni 1990, houdende regels ter
bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met politieregisters (Wet
politieregisters), Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Paragraaf 2. Algemene bepalingen
Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Paragraaf 4. Het verstrekken van gegevens uit een
politieregister
Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Paragraaf 5. Rechten van de belanghebbende op
kennisneming en verbetering
Artikel 20 Artikel 21 Artikel 22 Artikel 23 Artikel 24 Artikel 25 Paragraaf 6. Bepalingen betreffende het toezicht
Artikel 26 Artikel 27 Artikel 28 Paragraaf 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 29 Artikel 30 Artikel 31 Artikel 32 Artikel 33
Besluit van 14 februari 1991, houdende bepalingen ter uitvoering van
de Wet politieregisters (Besluit Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1 Artikel 2
De volgende persoonsgegevens zijn antecedenten:
a. het feit dat een proces-verbaal is opgemaakt van het verhoor van een
bepaald persoon ter zake van een strafbaar feit waarvoor deze als verdachte is
b. het feit of al dan niet een proces-verbaal als bedoeld onder a, is
verzonden aan het openbaar ministerie, en zo ja, de datum van verzending en het
nummer c. de beslissing van het openbaar ministerie of de rechter over de
aangelegenheid waarop het proces-verbaal betrekking heeft. Paragraaf 2. Algemene bepalingen Artikel 3
1. Persoonsgegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van
de wet genoemde kenmerken, worden slechts in een register opgenomen indien het
2. Persoonsgegevens met betrekking tot iemands ras, worden slechts opgenomen
indien dit onvermijdelijk is
a. met het oog op diens identificatie;
b. voor de juiste beoordeling van een strafbaar feit en zulk een gegeven het
slachtoffer of de motieven van de dader van dat feit betreft;
c. met het oog op de verlening van hulp door de politie.
3. Bij de opneming van een gegeven als bedoeld in het eerste lid, wordt
tevens een aanduiding omtrent de betrouwbaarheid van het gegeven opgenomen. De
Artikel 4
1. Koppeling is slechts toegestaan van een politieregister met een ander
politieregister of met een persoonsregistratie als bedoeld in artikel 17, aanhef
en onder a, 2. Koppeling van een register als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de
wet, met een ander register vindt slechts plaats voor zover dit noodzakelijk is
voor het Artikel 5
1. Van een koppeling wordt een proces-verbaal opgemaakt dat zo nauwkeurig
mogelijk vermeldt:
a. het doel van de koppeling;
b. de datum van de koppeling;
c. degeen in wiens opdracht de koppeling plaatsvond;
d. de registraties die zijn gekoppeld, alsmede de naam van de beheerder of de
houder van die registraties;
e. of de koppeling heeft geleid tot nieuwe persoonsgegevens en zo ja, welke;
f. of de gegevens, bedoeld onder e, zijn opgenomen in een register en zo ja,
in welk;
g. eventuele bijzonderheden.
2. De beheerder bewaart het proces-verbaal gedurende twee jaren op zodanige
wijze dat dit desgevraagd onmiddellijk aan de daartoe bevoegde organen ter
3. Bij reglement kan van het eerste lid worden afgeweken voor zover dat
onvermijdelijk is met het oog op een goede uitvoering van de politietaak.
Artikel 6
1. De personen die technische werkzaamheden verrichten als bedoeld in artikel
7, tweede lid, tweede volzin, van de wet, komen niet als geregistreerde voor in
de 2. De beheerder bepaalt vooraf schriftelijk welke personen onder welke
voorwaarden de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, kunnen verrichten.
3. Indien de werkzaamheden langs geautomatiseerde weg worden verricht, worden
deze vastgelegd.
4. De gegevens die zijn vastgelegd krachtens het tweede en derde lid, worden
gedurende twee jaren bewaard. Artikel 7(3)
1. Een reglement wordt voor een ieder ter inzage gelegd wanneer het betreft
een register bij:
a. het regionale politiekorps: op het hoofdbureau van politie en op de
bureaus waar het desbetreffende register wordt gevoerd of rechtstreeks
toegankelijk is;
b. het Korps landelijke politiediensten en de bijzondere ambtenaren van
politie: bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Justitie en het
betrokken c. de Koninklijke marechaussee: bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie
van Defensie, bij de Commandant van de Koninklijke marechaussee, bij het Hoofd
d. het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties: bij de voorlichtingsdienst van
het Ministerie van Justitie en ter plaatse van de vestiging van het Meldpunt.(5)
2. Indien de beheerder behoort tot het Rijk, maakt hij het reglement bekend
in de Staatscourant en doet hij van het reglement of het feit van
terinzagelegging 3. De beheerder van een regionaal politiekorps maakt het reglement of het
feit van de terinzagelegging bekend op een in de gemeente waarvan de
4. Het reglement met betrekking tot een register mede gemeenschappelijk aan
de Koninklijke marechaussee wordt bekendgemaakt en ter inzage gelegd op een bij
5. De bekendmaking van het feit van de terinzagelegging van een reglement
vermeldt de aard van het register, de datum waarop het reglement is vastgesteld
en 6. Ten aanzien van een bekendmaking van een wijziging of de intrekking van
een reglement zijn het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige
toepassing. Paragraaf 4. De tijdelijke registers
Artikel 8
1. Indien wordt besloten tot het aanleggen van een register als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van de wet, wordt daarbij vooraf schriftelijk
vastgelegd:
a. het doel van het register met inbegrip van een nauwkeurige omschrijving
van het bepaalde geval, zo mogelijk aangeduid naar tijd en plaats;
b. de datum waarop met het aanleggen van het register wordt begonnen.
2. De beheerder stelt binnen een week nadat is begonnen met het aanleggen van
dit register, het gezag dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de
3. De artikelen 6, tweede lid, en 9, eerste lid, van de wet, alsmede artikel
3, eerste lid, van dit besluit zijn op dit register niet van toepassing
gedurende zes 4. Indien dit uit het doel waarvoor het register is aangelegd, voortvloeit,
kan het register worden overgedragen aan een andere beheerder of worden
5. Indien het register wordt overgedragen of samengevoegd, wordt de termijn,
bedoeld in het derde lid, niet geschorst. Bestaat er voor het register een
a. de officier van justitie, indien het betreft een register dat is aangelegd
met het oog op de uitvoering van een taak onder diens gezag of
b. de burgemeester, indien het betreft een register dat is aangelegd met het
oog op de uitvoering van een taak onder diens gezag.
6. Bij dringende noodzakelijkheid kan in plaats van de officier van jusititie
de hulpofficier van justitie en in plaats van de burgemeester een door hem
schriftelijk 7. De Registratiekamer wordt van een samenvoeging of een overdracht zo
spoedig mogelijk in kennis gesteld, onder vermelding van de datum daarvan.
8. Indien het doel met het oog waarop het register is aangelegd, is bereikt,
worden de daarin opgenomen persoonsgegevens zo spoedig mogelijk vernietigd voor
9. Van de vernietiging als bedoeld in het achtste lid, wordt een
proces-verbaal opgemaakt, dat gedurende twee jaren wordt bewaard op zodanige
wijze dat dit Artikel 9
Aan de volgende ambtenaren worden, in aanvulling op de ambtenaren, bedoeld in
artikel 14, onder a en b, van de wet, gegevens uit een register verstrekt voor
a. ambtenaren van de dienst van de invoerrechten en accijnzen;
b. buitengewoon opsporingsambtenaren(9) die als werknemer zijn tewerkgesteld
bij de Nederlandse Spoorwegen N.V., voor zover zij deel uitmaken van de
c. ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor zover dit
noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van opdrachten in het
buitenland.(10) Artikel 10
Antecedenten worden op hun verzoek, voor zover zij deze behoeven voor de
uitvoering van hun taak, verstrekt aan:
a. reclasseringswerkers als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
Reclasseringsregeling 1986 (Stb.1);
b. ambtenaren die zijn verbonden aan het bureau van een Raad voor de
kinderbescherming en zijn benoemd krachtens artikel 21, eerste lid, van het
Artikel 11
1. Een beheerder is bevoegd verstrekking van gegevens uit een politieregister
ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, onder b tot en met d, van de wet te
a. het gegevens betreft omtrent personen die aan de politie informatie hebben
verstrekt omtrent door anderen gepleegde of te plegen strafbare feiten;
b. het gegevens uit een CID-register betreft, tenzij het een verstrekking
betreft als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van gegevens die noodzakelijk
zijn om te c. het gegevens uit een register betreft waarbij, mede gelet op de bijzondere
aard van het register, in geval van verstrekking direct gevaar voor de
geregistreerde 2. Verstrekking van gegevens uit een politieregister ingevolge de artikelen
14 en 15, eerste lid, van de wet kan achterwege worden gelaten indien de
3. Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien dit noodzakelijk
is voor de goede uitvoering van de politietaak. Bij de verstrekking van de daar
Artikel 12
1. Er worden geen gegevens uit een politieregister verstrekt ingevolge de
artikelen 14 en 15, eerste lid, van de wet, indien de verstrekking een ander
doel zou a. wanneer het een register betreft als bedoeld in artikel 13, eerste lid,
van de wet, tenzij
1E. de verstrekking plaatsvindt ten behoeve van de opsporing van een misdrijf
dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert,
2E. de verstrekking plaatsvindt ten behoeve van de opneming in een
CID-register of in een ?grijze veld?-register of
3E. uit de gegevens zelf een redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaalde
persoon een strafbaar feit heeft begaan;
b. wanneer het een ?grijze veld?-register betreft, tenzij de
gegevensverstrekking plaatsvindt op grond van het bepaalde in artikel 14, tweede
lid, en het slechts c. wanneer het register uitsluitend is aangelegd met het oog op de uitvoering
van de hulpverleningstaak van de politie, tenzij met uitdrukkelijke instemming
van de d. wanneer het een register bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties
betreft, tenzij:
1E. de verstrekking plaatsvindt ten behoeve van de opneming in een
CID-register of in een ?grijze veld?-register;
2E. uit de gegevens zelf een redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaalde
persoon een misdrijf heeft begaan;
3E. de gegevensverstrekking plaatsvindt op grond van artikel 15, eerste lid,
onder a, van de wet, en deze gegevens redelijkerwijs van belang kunnen zijn ter
4E. de verstrekking plaatsvindt op grond van artikel 13, derde lid, en het
gegevens betreft die noodzakelijk zijn ter opsporing van een misdrijf waardoor
de 2. Er worden geen gegevens uit een politieregister verstrekt ingevolge de
artikelen 14 en 15, eerste lid, van de wet omtrent de uitoefening door de
3. Gegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wet
genoemde kenmerken, worden slechts verstrekt
a. ingevolge artikel 14 van de wet voor zover dit noodzakelijk is voor de
goede uitvoering van de politietaak;
b. ingevolge artikel 15, eerste lid, 16, eerste lid, en krachtens artikel 18
van de wet voor zover dit onvermijdelijk is voor de goede uitvoering van de taak
met het 4. Bij een verstrekking van gegevens als bedoeld in het derde lid, wordt de
daarbij ingevolge artikel 3, derde lid, opgenomen aanduiding omtrent de
Artikel 13
1. Uit een politieregister kunnen gegevens worden verstrekt aan
politie-autoriteiten in een ander land indien dit noodzakelijk is:
a. voor de goede uitvoering van de politietaak in Nederland of voor de
uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen door
b. ter voorkoming van een ernstig en dreigend gevaar of ter opsporing van een
misdrijf waardoor de rechtsorde in dat land ernstig is geschokt of
c. voor de goede uitvoering van de politietaak in dat land, op grond van een
verzoek met betrekking tot een bepaalde persoon of een bepaald geval.
2. In de grensgebieden kunnen gegevens als bedoeld in het eerste lid, aanhef
en onder c, ook zonder een daartoe strekkend verzoek worden verstrekt.
3. Uit een politieregister bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties
kunnen gegevens worden verstrekt aan van overheidswege aangewezen
administratieve of 4. Bij de beoordeling van de vraag of gegevens ingevolge het eerste of derde
lid zullen worden verstrekt, wordt rekening gehouden met de mate waarin
5. De gegevens worden steeds verstrekt onder de algemene voorwaarde dat deze
slechts zullen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. De
6. Gegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wet
genoemde kenmerken, worden slechts verstrekt indien dit met het oog op een
juiste 7. De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van het Korps landelijke
politiediensten.(17) De verstrekking kan echter rechtstreeks plaatsvinden
a. Onze Minister van Justitie, indien het gegevens betreft uit een register
dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van
de b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken, indien het gegevens betreft uit een
register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het
8. Onverminderd het bepaalde in artikel 552 h van het Wetboek van
Strafvordering worden geen gegevens verstrekt:
a. wanneer een vermoeden bestaat dat de gegevens zullen worden gebruikt voor
een onderzoek, ingesteld met het oogmerk een verdachte te vervolgen, te
b. voor zover het verstrekken van gegevens zou strekken tot het verlenen van
medewerking aan een vervolging of een berechting welke onverenigbaar is met
c. ten behoeve van een onderzoek naar feiten terzake waarvan de verdachte in
Nederland wordt vervolgd;
d. ten behoeve van een onderzoek naar feiten als bedoeld in artikel
552m van het Wetboek van Strafvordering, dan krachtens een overeenkomstig die
bepaling verleende machtiging van Onze Minister van Justitie.(19)
9. Indien grond bestaat voor het vermoeden, bedoeld in het achtste lid, onder
a, wordt het verzoek aan Onze Minister van Justitie voorgelegd.(20)
10. Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid(21) is niet van
toepassing op de politie-ambtenaar uit een ander land die als contactambtenaar
is 11. Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid(24) is evenmin van
toepassing op de Nederlandse politie-ambtenaar of de ambtenaar van de
Koninklijke 12. De artikelen 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 14(26)
1. Gegevens worden desgevraagd uit een politieregister verstrekt, voorzover
zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, aan
a. de personen, anders dan die bedoeld in artikel 14, onder a, van de wet,
die bij de politie(27), het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties of bij de
Centrale b. de Commissie schadefonds geweldsmisdrijven als bedoeld in artikel 2 van de
Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven (Stb.1975, 382);
c. de Directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen voor
zover dit noodzakelijk is met het oog op het onderzoek, bedoeld in de artikelen
d. personen, werkzaam bij het bureau vertrouwensartsen als bedoeld in de
Bijlage onder I, onder 4, behorende bij de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb.
1989, e. personen, belast met de uitvoering van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965,
40), voor zover het betreft gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling
van f. personen die de beheerder heeft benoemd in een commissie die toezicht
houdt op de naleving van de gestelde regels bij of krachtens de wet met
betrekking tot g. de directeuren van de inrichtingen, bedoeld in artikel 6 van de
Beginselenwet gevangeniswezen, de directeuren van de inrichtingen, bedoeld in
artikel 37d van h. personen die optreden namens een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid op ideële grondslag die krachtens zijn doelstelling en
blijkens zijn feitelijke i. de Nederlandse Vereniging van Automobielassuradeuren, gevestigd te 's
Gravenhage, voor zover het betreft gegevens inzake aanrijdingen en
j. personen en instanties met een publieke taak belast, voor zover het
betreft gegevens die op hun verzoek met het oog op de signalering van personen
zijn k. Onze Minister van Justitie, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op:
1E. de afgifte van een verklaring van geen bezwaar in verband met de
oprichting van een naamloze of besloten vennootschap dan wel de wijziging van de
2E. de uitoefening van de bevoegdheden krachtens de Wet wapens en munitie of
de Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties;
l. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, voor zover hij deze behoeft in
verband met de hem bij de artikelen 131 tot en met 134 van de Wegenverkeerswet
m. de Directeur van de Dienst wegverkeer, voor zover hij deze behoeft in
verband met de uitvoering van de taken van de Dienst Wegverkeer;(32)
n. medewerkers van Halt-bureaus, voor zover deze bureaus zijn aangesloten bij
de Stichting Halt Nederland, en het gegevens betreft die voor de alternatieve
o. Onze Minister van Justitie, voor zover dit in het kader van de beoordeling
van een verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel
p. de burgemeester, voor zover dit in het kader van de beoordeling van een
verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op
q. de burgemeester en de commissaris van de Koning, voor zover dit in het
kader van hun adviserende taak, bedoeld in het Reglement op de Orde van de
r. ambtenaren aan wie bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het toezicht
op de naleving van de regels die zijn gesteld bij of krachtens de Wet
s. de raad voor de kinderbescherming, voor zover het de strafrechtelijke
uitoefening van zijn taak betreft, alsmede zijn bevoegdheden ter uitvoering van
de t. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het
Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 1, eerste lid, onder e, van
het Besluit 2. Uit een politieregister worden gegevens verstrekt aan het Meldpunt
Ongebruikelijke Transacties, voor zover het die behoeft voor een goede
uitvoering van zijn 3. Aan de machtiging, bedoeld in het eerste lid, onder k, kunnen
voorschriften en beperkingen worden verbonden.(33)
4. De artikelen 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 14a(34)
1. Uit een politieregister kunnen desgevraagd gegevens worden verstrekt,
voorzover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, aan:
a. Onze Minister van Financiën op grond van:
1?. de artikelen 23, tweede lid, onder d, 24, tweede lid, onder d, 26, zesde
en zevende lid, 41 en 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992,
2?. artikel 22, eerste en tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer
1995,
3?. de artikelen 174, vierde lid, onder c, 175, tweede lid, onder d, en 176,
zesde lid, onder b, en zevende lid, onder c, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 4?. de artikelen 82, tweede lid, onder d, en 84, zesde lid, onder b, en
zevende lid, onder c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf,
b. Onze Minister van Financiën, dan wel de rechtspersoon of rechtspersonen
waaraan op grond van artikel 40 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 taken
vierde lid, 19, eerste lid, en 20 van die wet,
c. Onze Minister van Financiën, dan wel de rechtspersoon of rechtspersonen
waaraan op grond van artikel 29 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen taken
d. De Nederlandsche Bank N.V. op grond van:
1?. de artikelen 9, eerste lid, onder c en e, 14, onder b, en slot, 15,
eerste lid, onder d, 23, tweede lid, onder c, 24, tweede lid, onder c, 26, zesde
en zevende lid, 2?. de artikelen 3, tweede lid, aanhef en onder a en b, en 6, tweede lid,
onder c, aanhef en onder 1e en 2e, van de Wet inzake de wisselkantoren,
e. De Verzekeringskamer op grond van:
1?. de artikelen 29, tweede en vierde lid, 30, 45, zevende lid, 82, derde
lid, 148, aanhef en onder b, 174, vierde lid, onder a en b, 175, tweede lid,
onder a tot en 2?. de artikelen 18, tweede en vierde lid, 19, 23, zevende lid, 60, aanhef en
onder b, 82, tweede lid, onder a tot en met c, en 84, zesde lid onder b, en
zevende verenigbaar is met een doeltreffende opsporing en vervolging van strafbare
feiten. Verstrekking vindt niet plaats, indien de gegevens onvoldoende
betrouwbaar 2. Verstrekking van gegevens als bedoeld in het eerste lid, of van
inlichtingen daarover, vindt alleen plaats door, dan wel met bijzondere
toestemming van het
persoonlijke levenssfeer in
verband met persoonsregistraties, Staatsblad
1988, nr.
665
Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
persoonlijke levenssfeer met
betrekking tot persoonsregistraties
uitvoering
dient te worden gegeven aan artikel 10, tweede en derde lid,
van de Grondwet;
Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en
verstaan bij deze:
In
deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
persoonsgegeven: een gegeven dat herleidbaar is tot
een individuele
natuurlijke persoon;
persoonsregistratie: een samenhangende verzameling
van op verschilde
personen betrekking hebbende
persoonsgegevens, die langs geautotiseerde
weg
wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die
gegevens systematisch is aangelegd;
houder: degene die de zeggenschap heeft over een
persoonsregistratie;
bewerker: degene die het
geheel of een gedeelte van de apparatuur onder
zich
heeft, waarmee een persoonsregistratie waarvan hij niet de houder
is, wordt gevoerd;
verstrekken van gegevens uit een persoonsregistratie: het bekend maken of
ter beschikking stellen van persoonsgegevens, voor
zover zulks geheel of
grotendeels steunt op
gegevens die in die persoonsregistratie zijn
opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan niet in verband met
andere gegevens, zijn verkregen;
verstrekken van gegevens aan een derde: verstrekken
van gegevens uit een
persoonsregistratie aan een
persoon of instantie buiten de organisatie
van de
houder, met uitzondering van het verstrekken aan de bewerker of de
geregistreerde;
gedragscode: een besluit van een of meer organisaties, representatief
voor de sector waarop het besluit betrekking heeft,
houdende in het
belang van de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer gestelde regels
of gedane
aanbevelingen ten aanzien van persoonsregistraties;
Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
Registratiekamer: de Registratiekamer, ingesteld bij artikel 37.
1.
Deze wet is niet van toepassing op:
a.
persoonsregistraties die naar hun aard voor persoonlijk of huiselijk
gebruik bestemd zijn;
b. persoonsregistraties die uitsluitend ten dienste staan van de openbare
informatievoorziening door pers, radio of
televisie;
c. boeken en andere schriftelijke
publikaties, alsmede catalogisegen
daarvan;
d. persoonsregistraties die berusten in een
archiefbewaarplaats als
bedoeld in de Archiefwet
1995 (Stb. 276).
2. Deze wet is niet van toepassing
op openbare registers die bij de wet
zijn
ingesteld.
3. Deze wet is niet van toepassing op:
a. persoonsregistraties, gehouden bij of ten
behoeve van de inlichgen- en
veiligheidsdiensten,
bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten;
b. persoonsregistraties,
aangelegd ten dienste van de uitvoering van de
politietaak, omschreven in artikel 2 van de Politiewet 1993;
c. persoonsregistraties, gehouden ter uitvoering
van de Kieswet.
c. [d.] persoonsregistraties,
gehouden ingevolge de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens (Stb. 1994, 494).
Voordrachten tot een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet
worden gedaan door Onze Minister. Indien de
maatregel mede een van Onze
andere ministers
aangaat, wordt de voordracht gedaan door Onze Minister
en deze andere minister gezamenlijk.
1.
Een persoonsregistratie wordt slechts aangelegd voor een bepaald doel
waartoe het belang van de houder redelijkerwijs
aanleiding geeft.
2. Het doel van een
persoonsregistratie mag niet in strijd zijn met de
wet, de openbare orde of de goede zeden.
1.
Een persoonsregistratie bevat slechts persoonsgegevens die rechtmatig
zijn verkregen en in overeenstemming zijn met het
doel waarvoor de
registratie is aangelegd.
2. De houder treft de nodige voorzieningen ter
bevordering van de
juistheid en de volledigheid van
de opgenomen persoonsgegevens.
1. De
opgenomen persoonsgegevens worden slechts gebruikt voor doeleinden
die met het doel van de persoonsregistratie
verenigbaar zijn.
2. Binnen de organisatie van de
houder worden uit een persoonsregistratie
slechts
gegevens verstrekt aan personen die ingevolge hun taak die
gegevens mogen ontvangen.
1.
Een nummer dat ter identificatie van een persoon wettelijk is
voorgeschreven, wordt in een persoonsregistratie of
bij het verstrekken
ven gegevens daaruit, slechts
gebruikt ter uitvoering van de betrokken
wettelijke
regeling dan wel ten behoeve van de richtige uitvoering van
wettelijke voorschriften waarbij eveneens van dat
nummer gebruik kan
worden gemaakt. Het nummer kan
tevens worden gebruikt in andere gevallen
bij of
krachtens de wet bepaald.
2. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen
waarin een daarbij aan te wijzen nummer als bedoeld in het eerste lid,
kan worden gebruikt. Daarbij kunnen nadere
voorschriften worden gegeven
over het gebruik van
een zodanig nummer.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake het
opnemen in een persoonsregistratie van
persoonsgegevens betreffende
iemands godsdienst of
levensovertuiging, ras, politieke gezindheid,
seksualiteit of intiem levensgedrag, alsmede persoonsgegevens van
medische, psychologische, strafrechtelijke of
tuchtrechtelijke aard.
2. De regels, bedoeld in het
eerste lid, kunnen verschillen naar de
soorten van
registraties.
3. Uiterlijk op 1 juni 1997 wordt een
voorstel van wet tot regeling van
het in het eerste
lid omschreven onderwerp aan de Staten-Generaal
gedaan.
4. Indien de Registratiekamer om advies
wordt gevraagd over het ontwerp
van een algemene
maatregel van bestuur of van een voorstel van wet als
bedoeld in dit artikel, geeft de Registratiekamer
bij de voorbereiding
van dit advies toepassing aan
de in de afdeling 3.4 van Algemene wet
bestuursrecht geregelde procedure.
De
houder draagt zorg voor de nodige voorzieningen van technische en
organisatorische aard ter beveiliging van een
persoonsregistratie tegen
verlies of aantasting van
de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming,
wijziging of verstrekking daarvan. Gelijke plicht rust op de bewerker
voor het geheel of het gedeelte van de apparatuur
die hij onder zich
heeft.
1.
Indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd
wordt gehandeld met de bij of krachtens deze wet
gegeven voorschriften
ter bescherming van de
belangen van geregistreerde of te registreren
personen, zijn de volgende leden van toepassing, onverminderd de
aanspraken op grond van andere wettelijke regels.
2. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat,
heeft de benadeelde
recht op een naar billijkheid
vast te stellen schadevergoeding.
3. De houder van
een persoonsregistratie is aansprakelijk voor de schade
of het nadeel, voortvloeiende uit het niet-nakomen
van de in het eerste
lid bedoelde voorschriften in
verband met die persoonsregistratie. De
bewerker is
aansprakelijk voor die schade of dat nadeel, voor zover
ontstaan door zijn werkzaamheid.
1.
Indien de houder of de bewerker van een persoonsretratie handelt in
strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde
en een ander daardoor
schade lijdt of dreigt te
lijden, kan de rechter hem op vordering van die
ander zodanig gedrag verbieden en hem bevelen maatregelen te treffen tot
herstel van de gevolgen van dat gedrag.
2. Vervallen
1.
Uit een persoonsregistratie worden slechts gegevens aan een derde
verstrekt voor zover zulks voortvloeit uit het doel
van de registratie,
wordt vereist ingevolge een
wettelijk voorschrift of geschiedt met
toestemming
van de geregistreerde.
2. Ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek dan wel op
grond van een dringende en gewichtige reden, kunnen desgevraagd gegevens
aan een derde worden verstrekt voor zover de
persoonlijke levenssfeer van
de geregistreerden
daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
3. De
verstrekking van gegevens blijft achterwege voor zover uit hoofde
van ambt, beroep of wettelijk voorschrift
geheimhouding geboden is.
4. Indien de
geregistreerde minderjarig is en de leeftijd van zestien
jaren nog niet heeft bereikt, of onder curatele is
gesteld, is in plaats
van de toestemming van de
geregistreerde die van zijn wettelijke
vertegenwoordiger vereist.
1.
Indien voor de verstrekking van gegevens uit een persoonsregistratie
toestemming van de geregistreerde of van zijn
wettelijke
vertegenwoordiger is vereist, kan deze
slechts schriftelijk worden
gegeven.
2. De toestemming kan betrekking hebben op één
geval of op een beperkte
categorie van gevallen en
moet in het geschrift nauwkeurig zijn
omschreven.
3. De toestemming kan steeds schriftelijk worden
ingetrokken.
1.
Dit artikel is van toepassing op persoonsregistraties, gehouden of
mede gehouden met het oog op deze werkzaamheid door
een natuurlijke of
rechtspersoon, die bedrijfsmatig
persoonsgegevens, anders dan met
toestemming van
degenen op wie die gegevens betrekking hebben of, in de
gevallen bedoeld in artikel 11, vierde lid, van hun
wettelijke
vertegenwoordigers, verzamelt en aan
derden verstrekt.
2. In een persoonsregistratie als
bedoeld in het eerste lid, worden
slechts
persoonsgegevens opgenomen, die op hun juistheid zijn
onderzocht.
3. Uit een
persoonsregistratie als bedoeld in het eerste lid, worden aan
een derde slechts op diens verzoek gegevens
verstrekt. Het verzoek
vermeldt het doel waarvoor
de gevraagde gegevens zullen worden gebruikt.
4. De
verstrekking vindt niet plaats, indien:
a. het doel
waarvoor de verstrekking is verzocht, in strijd is met de
wet, de openbare orde of de goede zeden;
b. de verstrekking redelijkerwijs niet in
overeenstemming is met dat
doel;
c. door de verstrekking de persoonlijke levenssfeer
van de geregistreerde
onevenredig zou worden
geschaad.
5. De houder van een persoonsregistratie
als bedoeld in het eerste lid,
is verplicht elke
verstrekking van gegevens aan een derde ten minste een
jaar nadat de verstrekking geschiedde, vastgelegd
te houden, tenzij hij
redelijkerwijs kan aannemen
dat de geregistreerde daarbij geen belang
heeft.
1.
Uit een persoonsregistratie, niet begrepen onder artikel 13, eerste
lid, kunnen ook in andere gevallen dan omschreven
in artikel 11, eerste
en tweede lid, bestanden
persoonsgegevens, alleen bestaande uit naam,
adres,
woonplaats, postcode en soortgelijke voor communicatie benodigde
gegevens, aan een derde worden verstrekt. De
artikelen 11, derde lid, en
13, derde en vierde
lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De
houder laat op verzoek van de geregistreerde of, in de gevallen
bedoeld in artikel 11, vierde lid, van zijn
wettelijke vertegenwoordiger
zodanige verstrekking
ten aanzien van diens gegevens achterwege.
1.
De organisatie of organisaties, die een gedragscode vaststelden,
kunnen de Registratiekamer verzoeken te verklaren
dat deze code naar haar
oordeel in overeenstemming
is met het bepaalde bij of krachtens deze wet
en
voldoet aan redelijkerwijs ter bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van geregistreerden te stellen eisen.
2. De Kamer neemt het verzoek slechts in
behandeling, indien naar haar
oordeel de verzoeker
of verzoekers representatief zijn voor de betrokken
sector, deze sector in de code nauwkeurig is omschreven en de code
zorgvuldig, in het bijzonder in genoegzaam overleg
met organisaties van
belanghebbenden, is
voorbereid.
3. Alvorens te beslissen op een verzoek
dat zij in behandeling heeft
genomen, stelt de
Kamer een ieder in de gelegenheid schriftelijk
bedenkingen of opmerkingen in te brengen.
4. De
verklaring wordt, tezamen met de gedragscode waarop zij betrekking
heeft, door de zorg van de Kamer in de
Staatscourant geplaatst.
5. De verklaring geldt
voor de termijn waarvoor de gedragscode is
vastgesteld, doch ten hoogste voor vijf jaar na het tijdstip van de
verklaring.
6. De
verklaring bindt de rechter niet.
7. Een beslissing
op het verzoek is met redenen omkleed. Tegen de
beslissing staat geen voorziening van administratieve rechtspraak open.
1.
Na verloop van drie jaren na de inwerkingtreding van artikel 15 kunnen
bij algemene maatregel van bestuur voor een
bepaalde sector nadere regels
worden gesteld inzake
de in de artikelen 4 tot en met 6, 8 en 11 tot en
met 14 geregelde onderwerpen.
2. De
Registratiekamer geeft in haar jaarverslag aan in hoeverre naar
haar oordeel toepassing van het eerste lid
wenselijk is.
3. Indien de Registratiekamer om
advies wordt gevraagd over het ontwerp
van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid,
geeft de Registratiekamer bij de voorbereiding van
dit advies toepassing
aan de in de afdeling 3.4 van
Algemene wet bestuursrecht geregelde
procedure.
onderwijs, de
gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening
Deze
paragraaf is van toepassing op persoonsregistraties van:
a. het Rijk, provincies, gemeenten en andere
openbare lichamen met
inbegrip van de daaronder
ressorterende diensten, instellingen en
bedrijven;
b. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
instellingen die met de
uitvoering van
publiekrechtelijke taken zijn belast;
c. bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen instellingen en
voorzieningen voor onderwijs, gezondheidszorg en
maatschappelijke
dienstverlening.
1.
Een persoonsregistratie als bedoeld in artikel 17, wordt slechts
aangelegd indien dit noodzakelijk is voor een goede
vervulling van de
taak van de houder.
2. Zodanige persoonsregistraties bevatten slechts
persoonsgegevens die
voor het doel van de
registratie noodzakelijk zijn.
3. Uit deze
persoonsregistraties kunnen desgevraagd gegevens worden
verstrekt aan personen of instanties met een
publiekrechtelijke taak,
voor zover zij die
gegevens behoeven voor de uitvoering van hun taak en
de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden
daardoor niet
onevenredig wordt geschaad. Artikel
11, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
1.
Voor een persoonsregistratie als bedoeld in artikel 17, wordt een
reglement vastgesteld.
2. Het reglement alsmede de wijziging en intrekking daarvan, wordt
openbaar gemaakt en voor een ieder ter inzage
gelegd overeenkomstig
regels bij algemene maatregel
van bestuur te stellen.
3. De houder doet van het
feit van de terinzagelegging en de aard van de
persoonsregistratie schriftelijk mededeling aan de Registratiekamer onder
opgave van zijn naam, adres en woonplaats.
4. De houder geeft binnen vier weken schriftelijk
kennis aan de
Registratiekamer van iedere wijziging
in zijn naam, adres of woonplaats.
1.
In het reglement moet de werking van de persoonsregistratie zijn
beschreven.
2. Het
reglement bevat in elk geval een duidelijke regeling van de
volgende onderwerpen:
a. het doel van de registratie;
b. de categorieën
van personen over wie gegevens in de registratie worden
opgenomen;
c. de
soorten van gegevens die in de registratie worden opgenomen, en de
wijze waarop deze worden verkregen;
d. de gevallen waarin opgenomen gegevens worden
verwijderd;
e. de categorieën van personen of
instanties, waaraan gegevens uit de
registratie
worden verstrekt;
f. de soorten van gegevens die
aan de onder e bedoelde personen of
instanties
worden verstrekt;
g. de rechtstreekse toegang tot
de registratie;
h. eventuele verbanden tussen de
registratie en enige andere
gegevensverzameling;
i. de wijze waarop geregistreerde personen of hun
wettelijke
vertegenwoordigers kennisneming en
verbetering van de over hen opgenomen
gegevens
kunnen verkrijgen;
j. de wijze waarop
geregistreerde personen of hun wettelijke
vertegenwoordigers mededeling van verstrekking van hen betreffende
gegevens kunnen verkrijgen;
k. de hoofdlijnen van het beheer van de
registratie.
De
houder, de bewerker en al degenen die verder bij de werking van de
persoonsregistratie zijn betrokken, zijn verplicht
het overeenkomstig
artikel 19, tweede lid,
bekendgemaakte reglement na te leven.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat artikel 19
niet van toepassing is op daarbij aan te geven
persoonsregistraties die
aan daarbij aan te geven
eisen voldoen.
2. Bepalingen als bedoeld in het
eerste lid, worden in elk geval gesteld
met
betrekking tot:
a. boekhoudingen en financiële
administraties;
b. personeels- en
salarisadministraties;
c. andere administraties dan
bedoeld onder a en b, ten dienste van het
intern
beheer van de betrokken organisatie;
d.
administraties van abonnementen;
e. administraties
van leden en begunstigers;
f. andere
persoonsregistraties, voor zover daarin geen andere gegevens
zijn opgenomen dan naam, adres, woonplaats,
postcode en soortgelijke voor
communicatie
benodigde gegevens.
op overige
gebieden
Deze
paragraaf is van toepassing op persoonsregistraties niet begrepen
onder artikel 17.
1.
Een persoonsregistratie waarop deze paragraaf van toepassing is, moet
worden aangemeld bij de Registratiekamer.
2. De aanmelding geschiedt door inzending van het
formulier dat voor het
verrichten van de aanmelding
is bestemd. Onze Minister stelt het model
van het
formulier vast.
3. Bij het formulier worden de bij
algemene maatregel van bestuur te
bepalen gegevens
verstrekt. Deze kunnen slechts betrekking hebben op de
onderwerpen als bedoeld in artikel 20, tweede lid.
Tevens wordt opgave
gedaan van de naam, het adres
en de woonplaats van de houder.
4. De aanmelding
wordt bekendgemaakt en een afschrift van het formulier
wordt voor een ieder ter inzage gelegd
overeenkomstig regels bij algemene
maatregel van
bestuur te stellen.
1.
De houder van een aangemelde persoonsregistratie geeft binnen vier
weken schriftelijk kennis aan de Registratiekamer
van iedere wijziging in
zijn naam, adres of
woonplaats.
2. Bij wijziging of aanvulling van de
overige verstrekte gegevens en bij
opheffing van de
registratie is artikel 24 van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat alleen de wijziging of aanvulling
onderscheidenlijk de opheffing behoeft te worden
aangemeld.
De
houder, de bewerker en al degenen die verder bij de werking van de
persoonsregistratie zijn betrokken, zijn verplicht
ten aanzien daarvan te
handelen overeenkomstig de
bij de aanmelding verstrekte gegevens.
Bij
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de artikelen 24
en 25 niet van toepassing zijn op daarbij aan te
geven
persoonsregistraties die aan daarbij aan te
geven eisen voldoen. Artikel
22, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
verbetering
1.
De houder van een persoonsregistratie deelt een ieder over wie voor de
eerste keer persoonsgegevens in de registratie
worden opgenomen binnen
vier weken schriftelijk
mede dat dit het geval is. De mededeling bevat
een
aanduiding van het doel van de registratie, alsmede de naam, het
adres en de woonplaats van de houder.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid,
geldt niet:
a. indien de betrokkene weet of
redelijkerwijs kan weten dat een
dergelijke opname
heeft plaatsgevonden;
b. indien een gewichtig
belang van de betrokkene zich tegen het doen van
een schriftelijke mededeling verzet;
c. voor zover
het achterwege laten van de mededeling noodzakelijk is met
het oog op de belangen, genoemd in artikel 30.
1.
De houder deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier
weken mede of hem betreffende persoonsgegevens in
de registratie zijn
opgenomen.
2. Indien zodanige gegevens in de registratie zijn
opgenomen, stelt de
houder de verzoeker desverlangd
binnen vier weken na ontvangst van het
verzoek
schriftelijk een volledig overzicht daarvan met inlichtingen over
de herkomst ter beschikking.
3. Indien een gewichtig belang van de verzoeker dit
eist, voldoet de
houder aan een verzoek als bedoeld
in dit artikel, in een andere dan
schriftelijke
vorm, die aan dat belang is aangepast.
4. De houder
draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de
identiteit van de verzoeker.
5. De verzoeken, bedoeld in het eerste en tweede
lid, worden ten aanzien
van minderjarigen die de
leeftijd van zestien jaren nog niet hebben
bereikt,
en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun
wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken
mededeling geschiedt eveneens
aan de wettelijke
vertegenwoordigers.
De
houder kan weigeren aan een in artikel 29 bedoeld verzoek te voldoen,
voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:
a. de veiligheid van de staat;
b. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
c. economische en financiële belangen van de staat
en andere openbare
lichamen;
d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege
overheidsorganen of
andere organen met een
publiekrechtelijke taak;
e. gewichtige belangen van
anderen dan de verzoeker, de houder daaronder
begrepen.
1.
Degene aan wie overeenkomstig artikel 29 kennis is gegeven van hem
betreffende persoonsgegevens, kan de houder
schriftetelijk verzoeken deze
te verbeteren, aan te
vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk
onjuist, voor het doel van de registratie onvolledig of niet ter zake
dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk
voorschrift in de
registratie voorkomen. Het
verzoek behelst de aan te brengen
wijzigingen.
2. De houder bericht de verzoeker binnen acht weken
na ontvangst van het
verzoek schriftelijk of dan
wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Artikel
29,
derde, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Een
weigering is met redenen omkleed.
3. De houder draagt zorg dat een beslissing tot
verbetering, aanvulling
of verwijdering zo spoedig
mogelijk wordt uitgevoerd.
1.
De houder deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier
weken mede of hem betreffende gegevens in het jaar
voorafgaande aan het
verzoek uit de
persoonsregistratie aan derden zijn verstrekt.
2.
Indien zodanige verstrekking is geschied, doet de houder daarvan
desverlangd binnen vier weken na ontvangst van het
verzoek in
schriftelijke vorm mededeling aan de
verzoeker. De houder kan volstaan
met een in
algemene termen vervatte mededeling betreffende de aard van de
verstrekte gegevens en degenen aan wie deze zijn
verstrekt, indien de
vastlegging daarvan achterwege
is gebleven en hij redelijkerwijs mocht
aannemen
dat het belang van de geregistreerde daardoor niet onevenredig
zou worden geschaad.
3. De artikelen 29, derde, vierde en vijfde lid, en 30 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Met
betrekking tot persoonsregistraties, uitsluitend voor
wetenschappelijk onderzoek of statistiek aangelegd:
a. zijn de artikelen 28 tot en met 31 niet van
toepassing, indien de
uitkomsten waarvoor de
persoonsgegevens worden gebruikt, niet meer
herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen;
b. is artikel 32 niet van toepassing met betrekking
tot verstrekking van
gegevens aan een derde die
deze uitsluitend voor wetenschappelijk
onderzoek of
statistiek verzamelt, mits de uitkomsten waarvoor deze
gegevens worden gebruikt, niet meer herleidbaar
zijn tot individuele
natuurlijke personen.
1.
Indien de houder niet aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 29,
31 of 32, voldoet dan wel niet in schriftelijke
vorm daaraan voldoet, kan
de betrokkene zich tot de
arrondissementsbank wenden met het schriftelijk
verzoek, de houder te bevelen alsnog aan dat verzoek te voldoen dan wel
in schriftelijke vorm daaraan te voldoen. Gelijke
bevoegdheid heeft de
betrokkene, indien hij zich
door een mededeling als bedoeld in artikel
32,
tweede lid, tweede volzin, in zijn belangen geschaad acht.
2. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen
acht weken na
ontvangst van het antwoord van de
houder. Indien de houder niet binnen de
gestelde
termijn heeft geantwoord, moet het verzoekschrift worden
ingediend binnen acht weken na afloop van die
termijn.
3. De betrokkene kan zich ook binnen de in
het tweede lid gestelde
termijn tot de
Registratiekamer wenden met het verzoek te bemiddelen of
te adviseren in zijn geschil met de houder. In dat
geval kan het
verzoekschrift als bedoeld in het
eerste lid, nog worden ingediend nadat
de
betrokkene van de Registratiekamer bericht heeft ontvangen dat zij de
behandeling van de zaak heeft gestaakt, doch
uiterlijk tot acht weken na
dat tijdstip.
4. Over een verzoekschrift kan de rechtbank het
advies van de
Registratiekamer inwinnen.
5. De rechtbank wijst het verzoek toe, voor zover
zij dit gegrond
oordeelt.
6. De twaalfde titel van het Eerste Boek van het
Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering met
uitzondering van artikel 429d, derde lid, treedt voor
procedures als bedoeld in het eerste tot en met het
vijfde lid, in
werking op hetzelfde tijdstip als
dit artikel. Artikel 345 van dat
wetboek is niet
van toepassing.
7. De derde afdeling van de vijfde
titel van het Tweede Boek van het
Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige
toepassing.
8. De griffier zendt afschrift van de
uitspraak aan de Registratiekamer.
1.
De houder, die aan een overeenkomstig artikel 31 gedaan verzoek
voldoet of wie dit door de rechter ingevolge
artikel 34, vijfde lid, is
bevolen, is verplicht om
aan degenen aan wie hij naar zijn weten in het
jaar
voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek verstreken
periode de betrokken gegevens heeft verstrekt,
mededeling te doen van de
verbetering, aanvulling
of verwijdering.
2. De houder doet aan de verzoeker
opgave van degenen aan wie hij de
mededeling heeft
gedaan.
3. Dit artikel geldt niet, indien de
verzoeker te kennen heeft gegeven op
de mededeling
als bedoeld in het eerste lid, geen prijs te stellen.
De
houder kan voor een bericht als bedoeld in de artikelen 29 en 32, een
vergoeding van kosten verlangen, die niet hoger mag
zijn dan een bij of
krachtens algemene maatregel
van bestuur vast te stellen bedrag. De
vergoeding
wordt teruggegeven in geval van een weigering van een verzoek
als bedoeld in die artikelen, dan wel nadat de
houder op verlangen van de
verzoeker of op bevel
van de rechter tot verbetering, aanvulling of
verwijdering is overgegaan.
1.
Er is een Registratiekamer.
2. De Kamer ziet toe op
de werking van persoonsregistraties overkomstig
het
bij en krachtens deze wet bepaalde en in het belang van de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het
algemeen.
3. De Kamer dient Onze Minister, dan wel
in daarvoor in aanmerking
komende gevallen Onze
Minister en Onze andere ministers die het mede
aangaat, gezamenlijk, desgevraagd of uit eigen beweging van advies over
de uitvoering van deze wet en andere onderwerpen
die daarmede samen
hangen.
4. De Kamer vervult overigens de taken, haar bij de
wet opgedragen.
5. De Kamer brengt jaarlijks aan
Onze Minister een openbaar verslag uit
van haar
werkzaamheden en bevindingen.
1.
De Kamer heeft een voorzitter, twee andere leden en een bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister, te
bepalen aantal
plaatsvervangende leden en
buitengewone leden.
2. De voorzitter wordt bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister, benoemd voor een tijdvak van zes jaar en kan steeds worden
herbenoemd. De andere leden en de plaatsvervangende
en buitengewone leden
worden bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister, benoemd
voor een tijdvak van vier jaar. Zij kunnen worden herbenoemd
3. Bij de benoeming van de buitengewone leden wordt
spreiding over de
onderscheidene sectoren van de
maatschappij nagestreefd.
1.
Aan een lid, plaatsvervangend lid en buitengewoon lid wordt bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister, ontslag verleend met
ingang van de eerste
maand volgend op die waarin hij de leeftijd van
vijfenzestig jaar bereikt.
2. Artikel 11 met
uitzondering van het bepaalde onder d, 3o, en de
artikelen 12 tot en met 13, 13a met uitzondering van het vijfde lid, 13b
en 14a tot en met 14c, 14d, eerste en tweede lid,
en 14e van de Wet op de
rechterlijke organisatie
(Stb. 1972, 463) zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Bij toepassing van artikel 14d,
tweede lid, van de Wet op de
rechterlijke
organisatie stelt de Hoge Raad de voorzitter van de Kamer in
de gelegenheid omtrent een aanhangige klacht
schriftelijk of mondeling
inlichtingen te
verstrekken en van zijn gevoelen daaromtrent blijk te
geven.
1.
De voorzitter en de andere leden genieten een bezolging voor hun
werkzaamheden. De plaatsvervangende en buitengewone
leden genieten een
zittingsgeld. Hun rechtspositie
wordt nader geregeld bij algemene
maatregel van
bestuur. Artikel 3, tweede lid, is niet van toepassing.
2. Tevens genieten zij vergoeding van reis- en
verblijfkosten
overeenkomstig de bepalingen welke
te dien aanzien voor de burgerlijke
rijksambtenaren
gelden.
3. De voorzitter mag zonder toestemming van
Onze Minister geen andere
werkzaamheden verrichten
waarvoor een beloning wordt genoten.
De
Kamer heeft een secretariaat, waarvan de ambtenaren door Onze
Minister, op voordracht van de voorzitter, worden
benoemd, geschorst en
ontslagen.
1.
De voorzitter geeft leiding aan de werkzaamheden van de Kamer en van
het secretariaat.
2.
Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, wordt uit de
leden een eerste en een tweede plaatsvervangend
voorzitter aangewezen.
1.
De Kamer heeft een Centrale Afdeling, bestaande uit de voorzitter en
de twee andere leden. Ieder lid kan worden
vervangen door een
plaatsvervangend lid.
2. De Centrale Afdeling kan meervoudige en
enkelvoudige afdelingen
instellen voor de
behandeling en afdoening van door haar omschreven
aangelegenheden.
3. Een meervoudige afdeling
bestaat uit een lid of plaatsvervangend lid
als
voorzitter en twee buitengewone leden als leden. Een enkelvoudige
afdeling bestaat uit een lid of een
plaatsvervangend lid.
4. De Centrale Afdeling wijst
de leden van de overige afdelingen aan. Zij
kan ter
vervanging in een afdeling van een lid of plaatsvervangend lid
van de Kamer een ander lid of plaatsvervangend lid
van de Kamer en ter
vervanging in een afdeling van
een buitengewoon lid een ander
buitengewoon lid
aanwijzen.
De
Centrale Afdeling stelt de in artikel 37, derde lid, bedoelde adviezen
en het jaarverslag vast. Zij behandelt voorts de
aangelegenheden die zij
niet op andere afdelingen
heeft ingedeeld.
1.
Aan de Kamer worden op haar verzoek gegevens uit een
persoonsregistratie verstrekt.
2. De houder van een persoonsregistratie en de
personen die bij de
werking van een
persoonsregistratie zijn betrokken, verstrekken
desgevorderd de Kamer, de ambtenaren van het secretariaat en andere, door
de Kamer daartoe aangewezen personen alle
inlichtingen en verlenen hun
alle overige
medewerking die deze voor de uitoefening van hun taak
behoeven.
3. De leden,
plaatsvervangende leden en buitengewone leden van de Kamer,
de ambtenaren van het secretariaat en andere, door
de Kamer daartoe
aangewezen personen, hebben
toegang tot elke plaats waar zich een
persoonsregistratie of een deel daarvan bevindt of waar de registratie
toegankelijk is, voor zover dit redelijkerwijs voor
de vervulling van hun
taak nodig is. Zij zijn
bevoegd apparatuur, programtuur, boeken en
bescheiden te onderzoeken en zich de werking van apparatuur en
programmatuur te doen tonen, voor zover dit
redelijkerwijs voor de
uitoefening van hun taak
nodig is.
4. De ambtenaren van het secretariaat en
de andere personen, bedoeld in
het derde lid,
behoeven voor de uitoefening van de in dat lid omschreven
bevoegdheden de uitdrukkelijke en bijzondere
volmacht van de Kamer,
onverminderd het bepaalde in
artikel 2 van de Algemene wet op het
binnentreden
(Stb. 1994, 572).
5. Indien naar het redelijk
oordeel van de Kamer de in dit artikel
bedoelde
medewerking in onvoldoende mate wordt verleend, kunnen op kosten
van de nalatige de nodige maatregelen worden
getroffen.
6. Geen beroep is mogelijk op een
geheimhoudingsplicht, voor zover
inlichtingen of
medewerking wordt verlangd in verband met de eigen
betrokkenheid bij de werking van een persoonsregistratie.
1.
De Kamer kan ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende of van
een rechtspersoon die ingevolge zijn statuten de
belangen behartigt van
de personen die door het
gedrag van de houder of de bewerker schade
lijden
of dreigen te lijden een onderzoek instellen naar de wijze waarop
ten aanzien van een persoonsregistratie toepassing
wordt gegeven aan het
bij en krachtens deze wet
bepaalde.
2. In geval van een onderzoek, ingesteld
op verzoek van een
belanghebbende, doet de Kamer
aan deze mededeling van haar bevindingen,
tenzij
zodanige mededeling onverenigbaar is met het doel van de
registratie of de aard van de persoonsgegevens, dan
wel gewichtige
belangen van anderen dan de
verzoeker, de houder daaronder begrepen,
daardoor
onevenredig zouden worden geschaad. Indien zij mededeling van
haar bevindingen achterwege laat, zendt zij de
belanghebbende zodanig
bericht als haar geraden
voorkomt.
3. De Kamer kan, indien haar bevindingen
daartoe aanleiding geven, aan de
houder van de
persoonsregistratie een aanbeveling doen. Zij gaat daartoe
niet over dan na de houder in de gelegenheid te
hebben gesteld te worden
gehoord.
4. Tegen een afwijzing van een verzoek als bedoeld
in het eerste lid, een
mededeling of bericht, als
bedoeld in het tweede lid, en een aanbeveling
als
bedoeld in het derde lid, staat geen voorziening van administratieve
rechtspraak open.
1.
Deze wet is mede van toepassing op zich niet in Nederland bevindende
persoonsregistraties van een in Nederland
gevestigde houder, voor zover
deze persoonsgegevens
bevatten van in Nederland gevestigde personen.
2.
Onze Minister kan, de Registratiekamer gehoord, ontheffing verlenen
van bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen
voor een
persoonsregistratie als bedoeld in het
eerste lid, indien de voor die
registratie geldende
wetgeving van het land waar de registratie zich
bevindt een gelijkwaardige bescherming biedt voor de persoonlijke
levenssfeer van de geregistreerden.
Onze
Minister kan, de Registratiekamer gehoord, voor persoonsregistraties
waarvan de houder niet in Nederland is gevestigd,
ontheffing verlenen van
bij of krachtens deze wet
gestelde bepalingen, indien de bescherming van
de
persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden met betrekking tot die
registratie voldoende is gewaarborgd.
1.
Degene die vanuit Nederland toegang heeft tot een zich buiten
Nederland bevindende persoonsregistratie waarop
deze wet niet van
toepassing is, is verplicht de
nodige voorzieningen te treffen voor de
beveiliging
van die toegang en van de daardoor verkregen
persoonsgegevens.
2. Het is verboden vanuit
Nederland gegevens te verstrekken aan of te
betrekken van een zich elders bevindende persoonsregistratie waarop deze
wet niet van toepassing is, voor zover bij algemene
maatregel van bestuur
is verklaard dat door zodanig
verstrekken of betrekken de persoonlijke
levenssfeer van de betrokken personen ernstig kan worden benadeeld.
1.
Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
a. degene die een persoonsregistratie in werking
heeft ten aanzien
waarvan het bij of krachtens de
artikelen 19, 24 of 25 bepaalde niet is
nageleefd;
b. degene die als bewerker optreedt van een
persoonsregistratie als
bedoeld onder a;
c. degene die handelt in strijd met het bij en
krachtens artikel 49,
tweede lid, bepaalde.
2. Degene die een feit als omschreven in het eerste
lid, opzettelijk
begaat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
3. De in het
eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. De
in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn
misdrijven.
4. Met de opsporing van de in dit
artikel omschreven strafbare feiten
zijn behalve de
bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen ambtenaren belast de door Onze Minister daartoe
aangewezen ambtenaren van het secretariaat van de
Registratiekamer.
1.
Deze wet treedt, met uitzondering van de paragrafen 5, 6 en 10 in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat niet later
kan worden gesteld dan zes
maanden na de afkondiging van deze wet.
2. De
paragrafen 5, 6 en 10 treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat niet later kan
worden gesteld dan een
jaar na de afkondiging van
deze wet.
3. Ten aanzien van een
persoonsregistratie, bestaande op het in het vorig
lid omschreven tijdstip, blijven de paragrafen 5, 6 en 10 gedurende zes
maanden na dat tijdstip buiten toepassing.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat deze wet
niet van toepassing is op bij
die maatregel aangewezen persoonsretraties
die bij
of krachtens de wet zijn ingesteld en bestaan op het in het
eerste lid omschreven tijdstip. Zodanige maatregel
wordt slechts
vastgesteld, indien naar Ons oordeel
met het oog op de invoering van deze
wet een nadere
voorziening bij de wet ten aanzien van die
persoonsregistraties is vereist. Behoudens eerdere intrekking vervalt de
maatregel drie jaren na zijn inwerkingtreding,
tenzij voordien een
voorstel van wet tot een
voorziening als in de vorige volzin bedoeld, aan
de
Staten-Generaal is gedaan.
5. Ten aanzien van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
vorige lid, en, voor zover deze wordt vastgesteld voor het in het eerste
lid omschreven tijdstip, de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in
artikel 36, is artikel 3,
tweede lid, niet van toepassing.
6. Artikel 28 is
van overeenkomstige toepassing op persoonsgegevens die
op het in het eerste lid omschreven tijdstip reeds
in een
persoonsregistratie zijn opgenomen, met dien
verstande dat de houder ten
aanzien van die
gegevens de vereiste mededeling doet binnen zes maanden
na dat tijdstip.
Deze
wet kan worden aangehaald als: Wet persoonsregistraties.
alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
Beatrix
F. Korthals Altes
C.P. van Dijk
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
bescherming persoonsgegevens.
Stb. 1990, 414 (tekst van de wet
per 1 januari 1998)
inwerkingtreding en wijzigingen
In
deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Ministers: Onze Ministers van Justitie en
van Binnenlandse Zaken gezamenlijk;
b. politietaak:
de taak van de politie, omschreven in artikel 2 van de Politiewet 1993;
c. politieregisters of register: een
persoonsregistratie als bedoeld in de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665),
aangelegd ten dienste van
de uitvoering van de
politietaak;
d. koppeling: het treffen van
technische of organisatorische voorzieningen, waardoor verschillende
verzamelingen van persoonsgegevens
systematisch met
elkaar kunnen worden vergeleken;
e. antecedenten:
bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven persoonsgegevens betreffende
de toepassing van het strafrecht of de
strafvordering;
f. beheerder met betrekking tot een
register:
1e. bij een regionaal politiekorps: de
ingevolge de Politiewet als korpsbeheerder aangewezen burgemeester;
2e. bij het Korps landelijke politiediensten: Onze
Minister van Justitie;
3e. bij de bijzondere
ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 43 van de Politiewet 1993: Onze
Minister van Justitie;
4e. bij de Koninklijke
marechaussee: Onze Minister van Defensie;
5e.
gemeenschappelijk aan twee of meer politiekorpsen:
de beheerder van het politiekorps die is belast met de feitelijke zorg voor het
goed functioneren van dat register;
6e. mede
gemeenschappelijk aan de Koninklijke marechaussee: het door Onze Ministers in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie
aan
te wijzen gezag;
g. reglement: het reglement,
bedoeld in artikel 9;
h. verstrekken van gegevens
uit een politieregister: het bekend maken of ter beschikking stellen van
persoonsgegevens, voor zover zulks
geheel of
grotendeels steunt op gegevens die in dat politieregister zijn opgenomen, of die
door verwerking daarvan, al dan niet in verband met
andere gegevens, zijn verkregen;
i. persoonsgegeven
en Registratiekamer of Kamer: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet
persoonsregistraties.
Deze
wet is niet van toepassing op verzamelingen van persoonsgegevens
a. die zijn aangelegd voor de uitvoering van de
taken ten dienste van de justitie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
onderdelen 1 en 2, van
de Politiewet 1993;
b. die naar hun aard voor persoonlijk gebruik zijn
bestemd.
Voordrachten tot een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet worden
gedaan door Onze Ministers.
1. Het
aanleggen van een politieregister vindt slechts plaats voor een bepaald doel en
voor zover dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering
van de politietaak.
2.
Het bevat slechts persoonsgegevens die rechtmatig zijn verkregen en die
noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor het is aangelegd.
3. De beheerder treft de nodige voorzieningen ter
bevordering van de juistheid en de volledigheid van de opgenomen
persoonsgegevens.
1.
Registratie van personen wegens hun godsdienst of levensovertuiging, ras,
politieke gezindheid, seksualiteit, intiem levensgedrag, of op
grond van medische of psychologische kenmerken,
vindt niet plaats.
2. Opneming in een register van
persoonsgegevens die betrekking hebben op de in het eerste lid genoemde
kenmerken, vindt slechts plaats in
aanvulling op
andere persoonsgegevens en voor zover dit voor het doel van het register
onvermijdelijk is. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.
3. Over bepalingen in een reglement omtrent de
opneming van persoonsgegevens bedoeld in het tweede lid, wordt de
Registratiekamer vooraf
gehoord.
1. Een
politieregister kan slechts worden gekoppeld met een ander politieregister of
met een andere verzameling van persoonsgegevens indien
dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van
de politietaak.
2. Een koppeling als bedoeld in het
eerste lid, vindt slechts plaats overeenkomstig het voor het register geldende
reglement. Over bepalingen
in een reglement omtrent
koppeling wordt de Registratiekamer vooraf gehoord.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent koppeling nadere regels
gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
4. Onze Minister van Justitie kan in bijzondere
gevallen toestemming geven tot een koppeling, in afwijking van het bepaalde
krachtens het
tweede en derde lid, indien dit
noodzakelijk is voor de opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde
ernstig is geschokt. Aan de
toestemming kunnen
beperkingen en voorschriften worden verbonden. De Registratiekamer wordt
hierover zo mogelijk vooraf gehoord. De
toestemming
wordt in ieder geval zo spoedig mogelijk aan de Registratiekamer medegedeeld.
1. De
beheerder draagt zorg voor de juiste werking van het register. Aan hem worden
alle inlichtingen verstrekt die hij voor dit doel nodig
heeft.
2. Hij draagt
zorg voor de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard ter
beveiliging van het register tegen verlies of
aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of
verstrekking daarvan. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld omtrent gevallen waarin het
in het kader van technische werkzaamheden noodzakelijk is van gegevens kennis te
nemen.
De
artikelen 9 en 10 van de Wet persoonsregistraties zijn van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat de beheerder voor de
toepassing van deze artikelen wordt aangemerkt als
de houder.
1. De
beheerder van een politieregister stelt voor het register een reglement vast.
2. De vaststelling geschiedt na overleg met het
gezag dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de politietaak ten dienste
waarvan het
register wordt aangelegd.
3. Het reglement wordt bekendgemaakt en voor een
ieder ter inzage gelegd overeenkomstig regels bij algemene maatregel van bestuur
te
stellen.
4. De
beheerder zendt een exemplaar van het reglement aan de Registratiekamer.
5. Het register wordt niet in werking gesteld dan
nadat aan het eerste tot en met vierde lid is voldaan.
6. Het tweede tot en met vijfde lid is van
overeenkomstige toepassing bij wijziging of intrekking van het reglement.
1. In
het reglement moet de werking van het register zijn beschreven.
2. Het reglement bevat ten minste een duidelijke
regeling van de volgende onderwerpen:
a. het doel
van het register;
b. de categorieën van personen
over wie gegevens worden opgenomen, en de soorten van de over hen op te nemen
gegevens;
c. de gevallen waarin opgenomen gegevens
worden verwijderd;
d. de vernietiging, zodra dit
mogelijk is, van verwijderde gegevens;
e. eventuele
verbanden tussen het register en enige andere gegevensverzameling;
f. de wijze waarop geregistreerde personen of hun
wettelijke vertegenwoordigers kennisneming en verbetering van de over hen
opgenomen
gegevens kunnen verkrijgen;
g. de bevoegdheid tot het invoeren en wijzigen van
gegevens in, alsmede het verwijderen van gegevens uit het register;
h. de aanwijzing van degene, onder
verantwoordelijkheid van de beheerder belast met de zeggenschap over het
register, en de omschrijving
van de daaruit
voortv[l]oeiende bevoegdheden;
i. de aanwijzing van
degene of degenen, belast met de dagelijkse leiding van het register.
3. Indien het reglement een politieregister betreft
als bedoeld in artikel 1, onder f, sub 4 of sub 5, wordt in het reglement tevens
vermeld wie
beheerder van dat register is.
4. Het reglement regelt de verstrekking van
gegevens uit het register, daaronder begrepen de rechtstreekse toegang met het
oog op
raadpleging van persoonsgegevens, met
inachtneming van het bij of krachtens de artikelen 14 tot en met 19 en 27
bepaalde.
De
beheerder en al degenen die verder bij de werking van het register zijn
betrokken, zijn verplicht het reglement dat voor het register geldt,
na te leven.
1.
Degene die een model van een reglement heeft vastgesteld, kan de
Registratiekamer verzoeken te verklaren dat het model naar haar oordeel
in overeenstemming is met het bepaalde bij of
krachtens deze wet. Indien de Kamer een zodanige verklaring afgeeft, wordt het
model in de
Staatscourant geplaatst.
2. Bij vaststelling van een reglement
overeenkomstig een model ten aanzien waarvan is voldaan aan het gestelde in het
eerste lid, zijn de
artikelen 5, derde lid, 6,
tweede lid, tweede volzin, 9, vierde lid, en 21, derde lid, tweede volzin, niet
van toepassing. De beheerder deelt aan de
Kamer
mede overeenkomstig welk model het reglement is vastgesteld.
1. Op
registers van tijdelijke aard die zijn aangelegd met het oog op de uitvoering
van de politietaak in een bepaald geval. zijn de artikelen 6,
tweede lid, en 9, eerste lid, niet van toepassing
gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn.
2. Na afloop van deze termijn is artikel 9, vijfde
lid, van overeenkomstige toepassing.
3. De
beheerder stelt binnen een week nadat is begonnen met het aanleggen van een
register als bedoeld in het eerste lid, de Registratiekamer
daarvan in kennis, tenzij dit inmiddels is
vernietigd.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer met
betrekking tot
registers als bedoeld in het eerste
lid.
Uit
een politieregister worden gegevens verstrekt aan:
a. ambtenaren van politie, voor zover zij deze behoeven voor de vervulling van
de politietaak en zij niet zijn aangesteld voor de uitvoering van
technische, administratieve en andere taken ten
dienste van de politie;
b. krachtens artikel 141,
onder c, van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren van de
Koninklijke marechaussee, voor zover
zij deze
behoeven voor de vervulling van de hun opgedragen politietaak;
c. andere opsporingsambtenaren in dienst van een
publiekrechtelijk lichaam, voor zover zij deze behoeven ter opsporing van
strafbare feiten bij
het onderzoek waarvan zij zijn
betrokken;
d. andere opsporingsambtenaren dan
begrepen onder a, b en c, voor zover zij deze behoeven ter opsporing van
strafbare feiten bij het
onderzoek waarvan zij zijn
betrokken, en mits daartoe in afzonderlijke gevallen door de officier van
justitie of in het algemeen door Onze
Minister van
Justitie voorafgaand toestemming is verleend;
e.
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere ambtenaren
dan die begrepen onder a en b, voor zover zij deze
behoeven ter uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van
personen.
1.
Uit een politieregister worden op hun verzoek gegevens verstrekt aan:
a. leden van het openbaar ministerie, voor zover
zij deze behoeven
1. in verband met hun gezag en
zeggenschap over de politie, dan wel over andere personen of instanties die met
de opsporing van strafbare
feiten zijn belast, of
2. voor de uitvoering van andere bij of krachtens
wet opgedragen taken;
b. de burgemeesters, voor
zover zij deze behoeven
1. voor de afgifte omtrent
de verklaringen omtrent het gedrag,
2. in verband
met hun gezag en zeggenschap over de politie, of
3.
in het kader van de handhaving van de openbare orde.
c. korpschefs van een regionaal politiekorps, voor
zover zij deze behoeven voor de uitoefening van bevoegdheden hun bij of
krachtens de Wet
wapens en munitie (Stb. 1986, 41)
of de Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties
verleend.
d. vervallen.
2. Voorts kunnen uit een politieregister gegevens
worden verstrekt voor zover dit voortvloeit uit de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten (Stb. 1987, 635).
1.
Uit een politieregister worden op hun verzoek antecedenten verstrekt aan:
a. Onze Minister van Justitie;
b. Nederlandse rechterlijke ambtenaren, met
rechtspraak belast, voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun
taak;
c. bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen reclasseringswerkers en ambtenaren van de kinderbescherming, voor zover
zij deze
behoeven voor de uitoefening van hun taak;
d. korpschefs van een regionaal politiekorps, voor
zover zij deze behoeven voor de uitoefening van bevoegdheden hun bij of
krachtens de
Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40) en de
Jachtwet (Stb. 1954, 523) toegekend.
2. Uit een
politieregister kunnen op hun verzoek antecedenten worden verstrekt aan
benadeelden van strafbare feiten voor zover zij deze
behoeven om in rechte voor hun belangen op te
kunnen komen.
Bij
algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van bepaalde categorieën van
gegevens de verplichting ingevolge de artikelen 14, 15,
eerste lid, en 16, eerste lid, om deze gegevens te
verstrekken, worden beperkt. Daarbij kan verder de bevoegdheid worden beperkt om
ingevolge deze bepalingen uit een politieregister:
a. bepaalde gegevens te verstrekken of
b. aan bepaalde personen gegevens te verstrekken.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verstrekking
van gegevens uit een politieregister - hetzij door
tussenkomst van lnterpol, hetzij anderszins - aan politieautoriteiten in andere
landen, alsmede omtrent de daarbij te stellen voorwaarden aan
het gebruik daarvan door die politieautoriteiten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de verstrekking van gegevens uit het register van het meldpunt
bedoeld
in artikel 2 van de Wet melding
ongebruikelijke transacties aan van overheidswege aangewezen niet-politiële
instanties in het buitenland die een
vergelijkbare
taak hebben als het meldpunt, alsmede omtrent de daarbij te stellen voorwaarden
aan het gebruik daarvan door die autoriteiten.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen of instanties met een
publieke taak belast, indien het openbaar belang dit vordert,
worden aangewezen aan wie in bij die algemene
maatregel aan te geven gevallen gegevens uit een politieregister mogen worden of
dienen te
worden verstrekt. Daarbij kunnen nadere
regels omtrent de verstrekking worden gesteld.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verstrekken
van gegevens uit een politieregister ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek en statistiek, met dien
verstande dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen bevatten.
5. Onze Minister van Justitie of Onze Minister van
Binnenlandse Zaken kan in bijzondere gevallen toestemming of opdracht geven tot
het
verstrekken van daartoe omschreven gegevens uit
een politieregister. Hij doet van de desbetreffende beschikking mededeling aan
de
Registratiekamer.
Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
voor verzoeken tot verstrekking van gegevens uit een
politieregister en de verstrekking daarvan in acht
te nemen procedure en de vastlegging van verstrekkingen uit het register.
1. De
beheerder deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja
welke deze persoon betreffende persoonsgegevens in
een register zijn opgenomen. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd
inlichtingen over de herkomst van de gegevens en over degenen aan
wie deze zijn verstrekt. Hij doet daarbij geen
mededelingen in schriftelijke vorm.
2. De beheerder
draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de
verzoeker.
3. Het verzoek, bedoeld in het eerste
lid, wordt ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog
niet hebben bereikt, en ten
aanzien van onder
curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken
mededeling geschiedt eveneens aan de
wettelijke
vertegenwoordigers.
4. vervallen.
1.
Een mededeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid, blijft achterwege voor
zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de
politietaak dan wel indien gewichtige belangen van
derden daartoe noodzaken.
2. Het eerste lid is niet
van toepassing op antecedenten of op persoonsgegevens die op verzoek van de
geregistreerde zijn opgenomen.
3. In het reglement
wordt bepaald in hoeverre toepassing wordt gegeven aan het bepaalde bij het
eerste lid. Omtrent dergelijke bepalingen
wordt de
Registratiekamer vooraf gehoord.
1.
Degene aan wie overeenkomstig artikel 20 mededeling is gedaan van hem
betreffende persoonsgegevens, kan de beheerder schriftelijk
verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen of te
verwijderen.
2. Artikel 31 van de Wet
persoonsregistraties is verder van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de beheerder niet aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 20 of 22
voldoet, kan de betrokkene zich tot de
arrondissementsrechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de beheerder te
bevelen alsnog aan dat verzoek te voldoen.
2.
Artikel 34, tweede tot en met achtste lid, van de Wet persoonsregistraties is
van overeenkomstige toepassing.
De
beheerder die in een register persoonsgegevens heeft verbeterd, aangevuld of
daaruit heeft verwijderd naar aanleiding van een verzoek
van een belanghebbende ingevolge artikel 22, een
bevel van de rechter ingevolge artikel 23 of een daartoe strekkende aanbeveling
van de
Registratiekamer, is verplicht om aan hen
aan wie hij naar zijn weten in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de
sinds dat verzoek
verstreken periode de betrokken
gegevens heeft verstrekt, mededeling te doen van deze wijziging.
1.
Een verzoek ingevolge artikel 20, is slechts ontvankelijk na betaling van een
kostenvergoeding. Het bedrag van de vergoeding en de wijze
van betaling worden geregeld bij algemene maatregel
van bestuur.
2. De vergoeding wordt teruggegeven
wanneer het verzoek leidt tot verbetering, aanvulling of verwijdering van de
persoonsgegevens van de
betrokkene, of wanneer het
verzoek moet worden geweigerd ingevolge artikel 21, eerste lid.
1. De
Registratiekamer ziet toe op de werking van de politieregisters overeenkomstig
het bij en krachtens deze wet bepaalde en in het belang
van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
in het algemeen.
2. Voor de behandeling en
afdoening van de aangelegenheden voortvloeiend uit het eerste lid, wordt bij de
Kamer een meervoudige afdeling
ingesteld.
3. Met het toezicht op de naleving van het bij enig
wettelijk voorschrift ten aanzien van de werking van politieregisters
bepaalde, zijn belast de
leden, plaatsvervangende
leden en buitengewone leden van de Kamer en de ambtenaren van het secretariaat
van de Kamer.
De
artikelen 37, vijfde lid, 44, 45 en 46 van de Wet persoonsregistraties
zijn van overeenkomstige toepassing.
De
korpsbeheerders van een regionaal politiekorps, de korpschef van het Korps
landelijke politiediensten en de commandant van de Koninklijke
marechaussee, verstrekken de Kamer desgevraagd
inlichtingen omtrent bij hun korps of wapen aangelegde andere verzamelingen van
persoonsgegevens dan een politieregister. Met
betrekking tot deze verzamelingen is artikel 45 van de Wet persoonsregistraties
van
overeenkomstige toepassing.
Aan
de artikelen 5, derde lid, 7, eerste lid, onder c, 23, eerste lid, onder c, en
30 van de Politiewet wordt de volzin toegevoegd: Regels
betreffende een politieregister als bedoeld in
artikel 1 van de Wet politieregisters (Stb. 1990, 414), worden niet gegeven dan
nadat de
Registratiekamer, bedoeld in artikel 37
van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665), is gehoord.
1.
Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met
betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan,
behoudens voor zover een bij of krachtens deze wet
gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met
het oog
waarop de gegevens zijn verstrekt tot het
ter kennis brengen daarvan noodzaakt.
2. Artikel
272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing.
1. De
artikelen 1 tot en met 3 en 26 tot en met 30 van deze wet treden in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
2. De
overige artikelen van deze wet treden zes maanden later in werking.
1.
Het reglement voor een politieregister bestaande op het in artikel 31, tweede
lid, bedoelde tijdstip, wordt binnen zes maanden na dat tijdstip
vastgesteld.
2. Binnen
dezelfde termijn wordt de inhoud van het register met het reglement en het bij
of krachtens deze wet bepaalde in overeenstemming
gebracht. Onze Ministers, de Registratiekamer gehoord, kunnen ten aanzien van
het register deze termijn eenmaal met dezelfde termijn
verlengen.
Deze
wet kan worden aangehaald als: Wet politieregisters.
politieregisters), Stb. 1991, 56. (tekst van het besluit per 1 januari 1998)
inwerkingtreding en wijzigingen
Op de voordracht van Onze Ministers van
Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Defensie, van 7 januari 1991,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
41162/91/6;
Gelet op de
artikelen 1, onder e, 3, 5, tweede lid, 6, derde lid, 7, tweede lid, 9, derde
lid, 13, eerste en vierde lid, 14, onder e, 16, eerste lid, onder c, 17, 18,
eerste tot en met derde lid, 19 en 25, eerste lid, van de Wet
politieregisters (Stb. 1990, 414);
Gehoord de Registratiekamer (advies van
30 november 1990, nr. WGAG/1990/2);
De Raad van State gehoord (advies van 8
februari 1991, nr. WO 3.91.0017);
Gezien het nader rapport van Onze Minister
van Justitie, mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Defensie
a.i., van 12 februari 1991,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
44995/91/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit wordt verstaan onder
a.de wet: de Wet
politieregisters;
b. een register van de criminele inlichtingendienst of
CID-register: een register dat is aangelegd met het oog op de voorkoming of
opsporing van misdrijven die,
gezien hun ernst of frequentie dan wel het
georganiseerd verband waarin zij worden gepleegd, een ernstige inbreuk op de
rechtsorde opleveren;
c. CID-subject: een persoon die als verdachte
betrokken is of naar redelijkerwijs kan worden vermoed als verdachte betrokken
zal worden bij misdrijven met het
oog waarop een CID-register is aangelegd;
d. een grijze veld-register: een register dat is aangelegd met het oog op de
vaststelling of de geregistreerde in samenhang met andere gegevens kan worden
aangemerkt als CID-subject;
e. het bevoegd gezag:
1E. bij de
handhaving van de openbare orde en bij de hulpverlening: de burgemeester;
2E. bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde: de officier van
justitie;
f. het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties: het meldpunt, bedoeld
in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties.(1)
gehoord, daaronder begrepen de aanduiding van de aard van dat strafbare
feit;(2)
waarmee het proces-verbaal aldaar kan worden geïdentificeerd en
reglement dit uitdrukkelijk toelaat.
aanduiding wordt gegeven door personen die daartoe door de beheerder zijn
aangewezen.
van de Wet persoonsregistraties (Stb.1988, 665).
doel waarvoor het eerstbedoelde register is aangelegd.
inzage kan worden gegeven.
registers waarvan zij in dat kader kunnen kennisnemen.
onderdeel(4);
van de Centrale Recherche Koninklijke marechaussee en op de bureaus van de
districts-commandanten;
mededeling in het Algemeen Politieblad.(6)
korpsbeheerder burgemeester is gebruikelijke wijze.(7)
de beslissing krachtens artikel 1, onder f, onder b, onderdeel 6, van de wet
te bepalen wijze.(8)
de beheerder, alsmede de plaatsen waar het reglement voor een ieder ter
inzage is gelegd.
politietaak ten dienste waarvan het is aangelegd, daarvan in kennis, tenzij
het inmiddels is vernietigd.
maanden na de datum, bedoeld in het eerste lid, onder b. Het
bevoegd gezag kan deze termijn één of meer malen verlengen voor de duur van ten
hoogste zes
maanden, indien het doel waarvoor het register is aangelegd door
de bekendmaking en de terinzagelegging van een reglement ernstig in gevaar zou
worden
gebracht en de beheerder een regeling heeft getroffen met betrekking
tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 10 van de wet. Van elke beslissing tot
verlenging
wordt melding gemaakt aan de Registratiekamer.
samengevoegd met een ander register als bedoeld in het eerste lid. Het
tweede lid is alsdan van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het
nieuwe
gezag.
reglement, dan wordt dit dienovereenkomstig aangepast. Indien het register
wordt overgedragen kan het doel niet worden gewijzigd. Indien het register wordt
samengevoegd met een ander register kan het doel slechts worden verruimd met
toestemming van
aangewezen politie-ambtenaar de toestemming als bedoeld in het
vijfde lid, geven, onder de verplichting om van de ondernomen handeling
onverwijld schriftelijk
kennis te geven aan de officier van justitie
onderscheidenlijk de burgemeester.
zover deze geen betekenis hebben voor een eventueel verder strafrechtelijk
onderzoek in het bepaalde geval als omschreven krachtens het eerste lid, onder
a,
dan wel het vijfde of zesde lid.
desgevraagd onmiddellijk aan de daartoe bevoegde organen ter
inzage kan worden gegeven.
Paragraaf 5. Het verstrekken van gegevens uit een
politieregister
zover zij deze behoeven ter uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de
signalering van personen:
Spoorwegpolitie;
Organisatiebesluit raden voor de Kinderbescherming 1982 (Stb. 16).
weigeren indien:
kunnen vaststellen of een persoon CID-subject is; of
of voor derden zou zijn te duchten.(11)
desbetreffende gegevens slechts konden worden verkregen onder de voorwaarde
dat deze alleen voor een bepaald doel zou worden gebruikt en de verstrekking
een ander doel zou betreffen. Het bestaan van een dergelijke voorwaarde kan
slechts worden aangenomen indien van de voorwaarde blijkt uit een
proces-verbaal en van het bestaan van een dergelijke voorwaarde aantekening
is gehouden in datzelfde register.
bedoelde gegevens kunnen beperkingen aan het gebruik van de gegevens worden
opgelegd.(12)
betreffen dan waarvoor het register is aangelegd:
gegevens betreft die noodzakelijk zijn om te kunnen
vaststellen of een persoon in dat register is opgenomen;(13)
geregistreerde;
voorkoming of opsporing van misdrijven als bedoeld in artikel 1, onder b;
rechtsorde in het verzoekende land ernstig is geschokt.(14)
geregistreerde van het recht op kennisneming of verbetering ingevolge de
artikelen 20, eerste lid, onderscheidenlijk 22, eerste lid, van de wet.
oog waarop wordt verstrekt.
betrouwbaarheid vermeld.
Nederlandse autoriteiten;
politiële meldpunten in het buitenland die een
vergelijkbare taak hebben als het meldpunt. Het zevende lid vindt geen
toepassing.
waarborgen in het andere land aanwezig zijn met betrekking tot een juist
gebruik van de verstrekte gegevens en met betrekking tot de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer.
beheerder kan in bijzondere gevallen op verzoek van de buitenlandse
politie-autoriteiten toestemmen in gebruik voor een ander doel voor zover dit
noodzakelijk
is voor goede uitvoering van de politietaak in dat land.
beantwoording van een door een buitenlandse politie-autoriteit
gestelde vraag onvermijdelijk is. Daarbij wordt een aanduiding omtrent de
betrouwbaarheid van
het gegeven vermeld.
overeenkomstig afspraken met politie-autoriteiten in het buitenland, voor
zover met deze afspraken is ingestemd door (18)
officier van justitie of
gezag van de burgemeester.
straffen, of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige of
staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de
bevolking
waartoe hij behoort;
het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste
lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel;
geplaatst [bij(22),] bij enig politiekorps of bij het Wapen der
Koninklijke marechaussee, voor zover met het land door welke hij is gezonden,
daarvan afwijkende
afspraken zijn gemaakt waarmee Onze Minister van Justitie
heeft ingestemd.(23) Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt op gelijke voet
als aan Nederlandse
politie-ambtenaren voor zover in overeenstemming met
deze afspraken.
marechaussee die als contactambtenaar of anderszins is gezonden
naar het buitenland. Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt als ware hij in
Nederland.
Het eerste, tweede, vierde tot en met zesde alsmede het achtste,
negende en twaalfde lid zijn van toepassing bij de verstrekking van de door hen
ontvangen
gegevens aan politie-autoriteiten in het land waar zij werkzaam
zijn.(25)
Recherche Koninklijke marechaussee werkzaam zijn ten dienste van de
uitvoering van de politietaak, voor zover zij daartoe door de desbetreffende
beheerder
schriftelijk zijn geautoriseerd;(28)
101 en 142 van het Reglement rijbewijzen, en het betreft overtreding van
artikel 6 of artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;(29)
360);
de identiteit van personen;
het register, voor zover het reglement dat bepaalt en Onze
Ministers, de Registratiekamer gehoord, met dit reglement hebben ingestemd;
het Wetboek van Strafrecht, en de directeuren van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening, voor
zover zij deze behoeven
voor het nemen van beslissingen inzake hetzij de
aanstelling of het ontslag van personeel, hetzij voor de toelating tot de
inrichting van personen die niet worden
ingesloten in de inrichting voor
zover dat noodzakelijk is voor de orde of de veiligheid van de inrichting
respectievelijk de voorziening;
werkzaamheden in het bijzonder de belangen van
slachtoffers van strafbare feiten of van verkeersongevallen behartigt, voor
zover de gegevens betrekking
hebben op deze slachtoffers en die
rechtspersoon tot het ontvangen van dergelijke gegevens is gemachtigd door de
Minister van Justitie, de Registratiekamer
gehoord;(30)
opgenomen;
statuten daarvan;
1994(31) opgedragen taak;
afdoening van strafbare feiten, gepleegd door minderjarigen, noodzakelijk
zijn;
9, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, noodzakelijk is
teneinde na te gaan of tegen de betrokkene een uitleveringsverzoek is gedaan;
het Nederlanderschap, noodzakelijk is;
Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau noodzakelijk is;
milieubeheer, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Bestrijdingsmiddelenwet
1962, de Wet Gevaarlijke Stoffen, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de
Wet
inzake de luchtverontreiniging, de Wet chemische afvalstoffen, de
Afvalstoffenwet, de Wet bodembescherming en de Meststoffenwet, voor zover het
gegevens
over overtredingen van deze wetten betreft en zij deze behoeven
voor de goede uitoefening hun toezichthoudende bevoegdheden;
ondertoezichtstelling van minderjarigen, bedoeld in de artikelen 254 en
volgende van Boek I van het Burgerlijk Wetboek en de in het kader daarvan te
treffen
voorlopige voorzieningen en voor zover het gegevens betreft die
uitsluitend zijn vastgelegd met het oog op de hulpverleningstaak van de politie;
rechtspositie vrijwillige politie, voor zover zij deze behoeven
voor het verrichten van een antecedentenonderzoek als bedoeld in artikel 8a,
eerste en tweede lid,
en artikel 8b, eerste lid, van het Besluit algemene
rechtspositie politie en artikel 4a, eerste lid, en artikel 4b, eerste lid, van
het Besluit rechtspositie vrijwillige
politie, of voor het verrichten van
een antecedentenonderzoek ten aanzien van personen die op basis van een
arbeidsovereenkomst of anderszins
werkzaamheden verrichten voor een
politiekorps of het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie.
(toegevoegd bij *)
taak.
1993,
en bevoegdheden zijn overgedragen, op grond van de artikelen 7, vierde lid,
11, eerste lid, aanhef en onder a, en zevende lid, 16,
en bevoegdheden zijn overgedragen, op grond van de artikelen 5, eerste lid,
aanhef en onder a, 12, eerste lid, en 15, aanhef en onder e, van die wet,
39, 41, 45, eerste lid, en 47, aanhef en onder d, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992,
met c, 176, zesde lid, onder b, en zevende lid, onder a tot
en met c, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993,
lid, onder a tot en met c, van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, voor zover verstrekking van deze gegevens
moeten worden geacht als grondslag voor de uitoefening van
vorenbedoelde taken.
openbaar ministerie en onder daaraan door het openbaar
ministerie te stellen voorwaarden. Die voorwaarden kunnen onder meer betreff