Wet op de telecommunicatievoorzieningen

Hoofdstuk 13 Bevoegd aftappen

Artikel 13.1
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten stellen hun telecommunicatienetwerken en telecommunicatiediensten uitsluitend beschikbaar aan gebruikers indien deze aftapbaar zijn.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de technische aftapbaarheid van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten.

In het Beleidsvoornemen bevoegd aftappen telecommunicatie (kamerstukken II 1995/96, 24 679, nr. 1) is aangegeven dat voorkomen moet worden dat criminelen interceptie kunnen ontlopen doordat zij gebruik maken van niet-aftapbare, openbare telecommunicatiesystemen. Veel van de moderne openbare telecommunicatiesystemen zijn als gevolg van de daarin gebruikte technologie in beginsel niet of slechts moeilijk aftapbaar. Onder meer daarin schuilt voor criminelen het voordeel van het gebruik van deze systemen. Gezien de noodzaak om in het kader van de criminaliteitsbestrijding en de veiligheid van de staat af te kunnen tappen, wordt als hoofdregel in dit artikel daarom voorgesteld dat zowel aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken als aanbieders van openbare telecommunicatiediensten hun netwerken respectievelijk diensten slechts mogen aanbieden indien die netwerken en diensten aftapbaar zijn, zodat die door de bevoegde autoriteiten kunnen worden afgetapt. De verplichting tot het aftapbaar zijn geldt vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet. In artikel 20.12 is een overgangsbepaling opgenomen voor reeds bestaande openbare telecommunicatienetwerken en -diensten die op het moment van inwerkingtreding van de wet nog niet aftapbaar zijn. Aanbieders van dergelijke netwerken en diensten hebben negen maanden de tijd om hun netwerken en diensten aftapbaar te maken.
Omdat in de moderne systemen ook aanbieders van openbare telecommunicatiediensten ten behoeve van hun dienstvoorziening schakelmiddelen kunnen exploiteren dient de aftapbaarheid zich niet te beperken tot de (kale) netwerken. Het is niet uitgesloten dat ook de aanbieders van openbare telecommunicatiediensten technische tapfaciliteiten zullen moeten plaatsen.

Artikel 13.2
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken zijn verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevoegd gegeven bijzondere last tot het aftappen of opnemen van telecommunicatie die over hun telecommunicatienetwerken wordt afgewikkeld.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatiediensten zijn verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevoegd gegeven bijzondere last tot het aftappen of opnemen van door hen verzorgde telecommunicatie.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de te nemen organisatorische en personele maatregelen en te treffen voorzieningen met betrekking tot aftappen.

In het kader van het bevoegd aftappen is niet alleen van belang de verplichting tot het aftapbaar zijn van telecommunicatienetwerken en ­diensten, maar evenzeer de verplichting om medewerking te verlenen aan een bevoegd gegeven last tot aftappen. In de WTV is deze medewerkingsverplichting beperkt tot de houder van de concessie, de houders van een infrastructuurvergunning, bepaalde houders van een registratie en de houders van een vergunning als bedoeld in hoofdstuk IIA van de WTV. Door het nu voorgestelde artikel 13.2 krijgt deze verplichting een ruimere werking. Hij wordt van toepassing op alle aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en alle aanbieders van openbare telecommunicatiediensten. Bij de in het derde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de te nemen organisatorische en personele maatregelen en de te treffen voorzieningen met betrekking tot aftappen. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan regels die kunnen worden gesteld met betrekking tot de bereikbaarheid van aanbieders en ten aanzien van de aanlevering van de afgetapte of opgenomen informatie aan de bevoegde autoriteiten.

Artikel 13.3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het beslechten van geschillen tussen aanbieders en de bevoegde autoriteiten over de voorzieningen door middel van welke de door een tap te verkrijgen telecommunicatie door aanbieders wordt doorgegeven.

Door middel van de in dit artikel bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het beslechten van geschillen tussen aanbieders en de bevoegde autoriteiten over de voorzieningen door middel van welke de door een tap verkregen telecommunicatie door aanbieders wordt doorgegeven. Daarbij valt aan het volgende te denken. Het is van belang dat er overeenstemming bestaat tussen de bevoegde autoriteiten en de aanbieders over de apparatuur waarmee en de wijze waarop de inhoud van de af te tappen telecommunicatie door de aanbieders aan de lastgever wordt aangeleverd. Voorkomen moet bijvoorbeeld worden dat bepaalde apparatuur niet uitwisselbaar is. Ook kan aan de orde komen of de desbetreffende telecommunicatie door middel van huurlijnen dan wel via kieslijnen wordt doorgegeven naar de lastgever. Bij dergelijke geschillen moet de Minister van Verkeer en Waterstaat een beslissing kunnen nemen.

Artikel 13.4
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten zijn verplicht medewerking te verlenen aan de bevoegde autoriteiten met betrekking tot het verstrekken van alle benodigde informatie die noodzakelijk is teneinde een bijzondere last als bedoeld in artikel 13.2, eerste en tweede lid, te kunnen geven.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van verstrekking van informatie en de wijze waarop daartoe de gegevens beschikbaar worden gehouden.

De medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 13.2 strekt zich uit tot het verlenen van medewerking aan de daadwerkelijke uitvoering van een bevoegd gegeven last tot aftappen. Het onderhavige artikel heeft betrekking op een andersoortige medewerkingsverplichting: het verstrekken van informatie aan de autoriteiten die een last tot aftappen gaan geven. De medewerkingsverplichting geldt niet alleen voor aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken maar ook voor aanbieders van openbare telecommunicatiediensten. Immers voor wat betreft het verstrekken van informatie zullen de netwerkbeheerders in toenemende mate afhankelijk zijn van de aanbieders van openbare telecommunicatiediensten, bij wie steeds meer essentiële gegevens ondergebracht zijn en daarmee aangewezen zijn op onderling te sluiten privaatrechtelijke contracten of te maken afspraken (zogenaamde ketenaansprakelijkheid). Daarvan zouden dan op hun beurt ook de bevoegde instanties afhankelijk worden. Ondergetekende acht deze ontwikkeling niet wenselijk.
Ten behoeve van de facturering bewaren de aanbieders de zogenaamde abonneegegevens als naam, adres, woonplaats en nummer. In het eerste lid worden alleen deze gegevens bedoeld die door de aanbieders ter beschikking moeten worden gesteld om een bijzondere last te kunnen opstellen. In het tweede lid is voorzien in de mogelijkheid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te geven voor een uniforme wijze van verstrekking van informatie en een uniforme wijze waarop de gegevens daartoe beschikbaar worden gehouden. Het gaat met betrekking tot deze informatie niet uitsluitend om de abonneegegevens bedoeld in het eerste lid, ook de zogenaamde verkeersgegevens als begin, duur en einde van een verbinding, nummer van de opgeroepene of de feitelijke bestemming, en in geval van doorschakeling de tussenliggende nummers, die verplicht worden verstrekt ingevolge artikel 125f van het Wetboek van strafvordering, alsmede de vrijwillige verstrekking van gegevens door aanbieders op grond van een dringende en gewichtige reden in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Wet persoonsregistraties kunnen hieronder worden begrepen. De termijn gedurende welke deze gegevens kunnen worden bewaard wordt geregeld in artikel 11.5, te weten niet langer dan normaal gesproken nodig is met het oog op de eigen bedrijfsvoering, tenzij bij of krachtens wet anders is bepaald.
Uit jurisprudentie van het Hof Amsterdam, NJ 1994, 710, blijkt dat artikel 125f van het Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de verstrekking van verkeersgegevens over telecommunicatie die nog moet worden afgewikkeld. De aanbieder dient alleen van de abonnee waarop de vordering van 125f van het Wetboek van Strafvordering betrekking heeft de verlangde gegevens te vergaren en vervolgens aan de strafrechtelijke autoriteiten ter beschikking te stellen.

Artikel 13.5
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten zijn verplicht gegevens met betrekking tot een bijzondere last als bedoeld in artikel 13.2 en informatieverstrekkingen als bedoeld in artikel 13.4 te beveiligen tegen kennisneming door onbevoegden alsmede geheimhouding te betrachten met betrekking tot deze gegevens.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de te nemen maatregelen in verband met de beveiliging, bedoeld in het eerste lid.

Voor de rijksdienst gelden voor de beveiliging van staatsgeheimen de "Aanwijzingen voor de bescherming van staatsgeheimen en vitale onderdelen bij de Rijksdienst" (SDU, maart 1989). Het buiten de rijksdienst brengen van staatsgeheimen kan alleen indien voldoende zekerheid bestaat dat de beveiliging overeenkomstig de bepalingen van deze aanwijzingen zal plaatsvinden. Uit de systematiek van de aanwijzingen vloeit voort dat het verzekeren van een adequate beveiliging bij andere organisaties (zoals particuliere bedrijven) het meeste adequaat bij wet geregeld kan worden. Dit is de zorg van de ministers, onder wier verantwoordelijkheid die organisaties werkzaam zijn. Gegevens betreffende aftappen en informatieverstrekkingen die in het belang van de staat geheim moeten worden gehouden, zijn formele staatsgeheimen en worden bij de overheid aan een beveiligingsregime onderworpen. Deze gegevens dienen ook bij aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare diensten op gelijkwaardige wijze en op basis van een wettelijke bepaling te worden beveiligd. De gegevens waar het hier om gaat zijn bijvoorbeeld abonneegegevens en het feit dat er een tap geplaatst is.

Artikel 13.6
1. De investerings­, exploitatie­ en onderhoudskosten voor de technische voorzieningen die door aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten zijn of worden gemaakt teneinde te kunnen voldoen aan de artikelen 13.1, 13.4, en 13.5 komen te hunner laste.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten hebben aanspraak op vergoeding uit 's Rijks kas van de door hen gemaakte administratiekosten en personeelskosten rechtstreeks voortvloeiend uit het voldoen aan een last als bedoeld in artikel 13.2, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk het verstrekken van informatie als bedoeld in artikel 13.4.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de vaststelling en vergoeding van de kosten, bedoeld in het tweede lid.

Toen PTT nog staatsbedrijf was, zijn de kosten die gemaakt moesten worden om een telecommunicatiesysteem aftapbaar te maken en houden steeds door de staat betaald. De staat is sinds 1989 geen netwerkbeheerder meer. Toch moet die staat kunnen blijven aftappen. Dit wordt door de toenemende technologische complexiteit steeds moeilijker.
De aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare diensten tappen niet zelf af ­dit is voorbehouden aan bevoegde instanties­ maar faciliteren slechts het aftappen door op grond van wettelijke bepalingen tijdig organisatorische en technische maatregelen te treffen. Om te kunnen voldoen aan deze wettelijke bepalingen moeten kosten gemaakt worden. Deze kosten vloeien dus voort uit wettelijke verplichtingen en hebben geen betrekking op het aftappen zelf. Vanuit dit oogpunt ligt het voor de hand dat deze kosten niet langer door de staat maar door de aanbieders gedragen worden.
Daarnaast spelen ook budgettaire overwegingen voor de staat een rol. Het aftappen van telecommunicatie wordt een steeds belangrijker, zo niet onmisbaar middel bij de bestrijding van met name de georganiseerde criminaliteit en de bescherming van de staatsveiligheid. Het brengt in toenemende mate ook kosten voor de staat met zich mee. Deze kostenstijging wordt enerzijds veroorzaakt doordat opsporingsinstanties bij de bestrijding van de criminaliteit vaker dan voorheen het middel van de telefoontap moeten gebruiken, en anderzijds doordat het aftapbaar maken van nieuwe vormen van telecommunicatie ook voor de staat steeds opnieuw investeringen vereist. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de aanpassing van de tapkamers. De staat wordt kortom geconfronteerd met de gevolgen van de technische ontwikkelingen op het gebied van de telecommunicatie in de vorm van steeds hogere rekeningen voor het aftappen.
Bijkomend voordeel is dat zodoende een prikkel wordt ingebouwd om op de meest voordelige wijze de aftapbaarheid te realiseren, zodat een kostprijsverhogend effect van de te treffen voorzieningen beperkt kan blijven. Het verdisconteren van de gemaakte kosten in de bedrijfsvoering is verder een ondernemersverantwoordelijkheid. Bij de wet van 23 november 1995 tot wijziging van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen in verband met het aftappen van GSM is de WTV in die zin gewijzigd dat de investeringskosten alsmede de jaarlijkse onderhouds­ en exploitatiekosten, die verband houden met het aftappen, ten laste komen van de GSM­vergunninghouders. Bij de behandeling van dat wetsvoorstel heeft ondergetekende aangekondigd dat de voor GSM ingezette lijn op dit punt zal worden doorgetrokken naar alle openbare telecommunicatienetwerken en -diensten in Nederland. In het eerste lid van het onderhavige artikel wordt deze verplichting vormgegeven en wordt tevens geregeld dat ook de technische inspanningen die gedaan moeten worden ten behoeve van het verstrekken van informatie en ten behoeve van de beveiliging voor rekening van de hier bedoelde aanbieders hieronder vallen. Het beleid met betrekking tot de financiering van het aftappen van GSM wordt hiermee ook op andere telecommunicatiesystemen in Nederland van toepassing verklaard.
De staat zelf blijft ook niet zonder kosten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken zal de veiligheidsonderzoeken betalen. Kosten die gepaard gaan met de inrichting van tapkamers en de huur van aftaplijnen zullen voor de Ministeries van Binnenlandse Zaken en van Justitie blijven. De kosten die rechtstreeks uit een individuele tap of informatieverstrekking voortvloeien, en die door de aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en ­diensten daadwerkelijk worden gemaakt ­bedoeld worden de administratie­ en personeelskosten­, behoren ook tot de opsporings­ en vervolgingskosten en zullen daarom door de staat worden vergoed. Ook de regionale politiekorpsen die de tapkamers bezitten, zullen uit het aan hen door de Minister van Binnenlandse Zaken toegekende budget moeten bijdragen aan de vergoeding van deze kosten. Een en ander is geregeld in het tweede lid van dit artikel. In voornemen 7 van het Beleidsvoornemen bevoegd aftappen telecommunicatie (kamerstukken II 1995/96, 24 679, nr. 1) is aangegeven dat het redelijk wordt geacht om ten aanzien van bepaalde (in bijlage 4 van het Beleidsvoornemen aangegeven) systemen en diensten die reeds in Nederland operationeel zijn, maar nog niet aftapbaar, een eenmalige tegemoetkoming in de kosten te geven aan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten teneinde bedoelde systemen alsnog aftapbaar te maken. Bedoelde tegemoetkomingen worden niet ingevolge het onderhavige wetsvoorstel verstrekt. Rekening dient te worden gehouden met het feit dat dergelijke financiële tegemoetkomingen mogelijk als steunmaatregel in de zin van artikel 92, eerste lid, van het EG-verdrag zijn aan te merken en dat als voorgenomen steunmaatregel overeenkomstig artikel 93, derde lid, van het EG-verdrag moet worden aangemeld bij de Europese Commissie.

Artikel 13.7
Onze Minister kan in het belang van de veiligheid van de staat of de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde bij beschikking bepalen dat een of meer artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing zijn op aanbieders van een niet openbaar telecommunicatienetwerk, een niet openbare telecommunicatiedienst of aanbieders van huurlijnen indien het netwerk, de dienst of een huurlijn feitelijk openstaat voor derden.

Voor wat betreft het bevoegd aftappen geldt als hoofdregel dat slechts openbare telecommunicatienetwerken en -diensten aftapbaar moeten zijn. Deze verplichting is neergelegd in artikel 13.1. Toch kunnen zich situaties voordoen waarbij het nodig kan zijn dat ook telecommunicatienetwerken en -diensten moeten kunnen worden afgetapt die formeel juridisch worden aangemerkt als zijnde niet openbaar. Te denken valt bijvoorbeeld aan bedrijfsnetwerken van een concern en zogenoemde gesloten gebruikersgroepen. De noodzaak om bepalingen van dit hoofdstuk op dergelijke netten en op diensten van toepassing te verklaren kan ontstaan als het feitelijke gebruik ervan zich beperkt tot de bedoelde groep maar ook ongeselecteerde personen (derden) in de gelegenheid worden gesteld om er gebruik van te maken. In dat geval moet Onze Minister de mogelijkheid hebben om op een snelle wijze netwerken en diensten aan te wijzen waarvoor de aftapverplichting evenzeer geldt als voor de openbare netten en diensten. Artikel 13.7 voorziet in deze mogelijkheid.

Artikel 13.8
Van de verplichtingen die voortvloeien uit dit hoofdstuk kan Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie in bijzondere gevallen ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

In de praktijk kunnen zich gevallen voordoen waarop de bepalingen van dit hoofdstuk in volle omvang van toepassing zijn zonder dat daarvoor gerechtvaardigde gronden aanwezig zijn. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een activiteit op het gebied van telecommunicatie volgens de definities moet worden aangemerkt als het aanbieden van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst maar waarvan de noodzaak om die te kunnen aftappen geen noemenswaardige betekenis heeft. De noodzaak tot ontheffing van de aftapverplichtingen kan gezien de snelle ontwikkelingen op telecommunicatiegebied slechts van geval tot geval worden beoordeeld. Ook kan het belang van het kunnen aftappen van een netwerk of een dienst in de loop van de tijd zich wijzigen. Daarom is het belangrijk dat met het bestuurlijke instrument van een ontheffing soepel kan worden ingespeeld op specifieke situaties. Het belang van de veiligheid van de staat en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt gewaarborgd doordat een ontheffing alleen mogelijk is met toestemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie.


Return to Home